Indië-conflict versimpeld

Ad van Liempt: Een mooi woord voor oorlog. Ruzie, roddel en achterdocht op weg naar de Indonesië-oorlog 289 blz., Sdu 1994, ƒ 34,90 (pbk)

Degenen die geïnteresseerd zijn in het naoorlogse Nederlands-Indonesische conflict, maar niet de tijd hebben de immense hoeveelheid literatuur door te nemen die daarover in de loop der jaren is verschenen, zouden er ongetwijfeld mee gebaat zijn als er over deze kwestie een populair, maar toch historisch verantwoord boek zou verschijnen. Ook journalisten, columnisten en schrijvers van ingezonden stukken zouden er hun voordeel mee kunnen doen, want dan komen zij er misschien achter dat de Indonesische kwestie meer is dan Poncke Princen, Westerling en de Politionele Acties. De felle gemoedsuitbarstingen die deze onderwerpen bij bovengenoemde schrijvers teweegbrengen luchten ongetwijfeld op, maar voor het overige bieden zij de lezer maar een pover inzicht in wat er toen hier in Nederland, in Nederlands-Indië en in de Republik Indonesia gaande was.

De auteur van het hier te bespreken boek is zeker een popularisator, maar hij is helaas niet gekomen met het boek waar iedereen naar zal grijpen die iets wil weten over het naoorlogse Nederlands-Indonesische conflict. Van Liempt beperkt zich tot een beschrijving van de politieke gebeurtenissen in Nederland en Indië in de twee maanden die vooraf gingen aan de Eerste Politionele Actie. Ondanks zijn mededeling dat hij in de voorbereidingsfase tientallen bronnen heeft bestudeerd, waaronder dagboeken, partij-archieven, contemporaine dag- en weekbladen en de steeds uitdijende reeks Officiële bescheiden betreffende de Nederlands-Indonesische betrekkingen, is hij, zoals zovelen, blijven steken in verbazing, verontwaardiging en schaamte.

Mijn bezwaar begint al bij de titel, Een mooi woord voor oorlog. Zonder te willen ontkennen dat daar toen een oorlog werd gevoerd, meen ik toch dat eliminatie van de term 'Politionele Actie' een soort geschiedvervalsing is. Juist omdat dit eufemisme zo veelzeggend de denkwijze en de beweegredenen van de Nederlanders weergeeft, net zoals de Indonesische namen voor de Nederlandse militaire acties, 'Agressie Satu' en 'Agressie Dua' (Agressie Eén en Agressie Twee), de gedachtenwereld van de andere partij weerspiegelen.

Van Liempt heeft zijn boek opgezet volgens het gepatenteerde procédé van 'good guys' en 'bad guys'. Echt inzicht in wat er toen eigenlijk gaande was krijgt de lezer echter niet. Een groot bezwaar is dat hij niet weet hoe met z'n bronnen om te gaan. Hij gebruikt ze vooral om de bad guys en de good guys op te sporen. Daarvoor citeert hij met graagte uit de dagboeken die enkele hoofdrolspelers hebben achtergelaten, om ze vervolgens, instemmend of afkeurend, vast te nagelen op hun uitspraken.

In het jongste nummer van de Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden heeft de historicus P. Drooglever erop gewezen dat men dergelijke bronnen met beleid moet hanteren, zoals men trouwens met alle bronnen moet doen die men raadpleegt. Dit belangwekkende artikel, dat de titel draagt 'De Indonesische kwestie tussen persbericht en egotrip', evalueert hoe aan de Nederlandse kant alle betrokkenen op hoog niveau via diverse kanalen (codetelegrammen, maar ook officiële brieven en privé-correspondentie) vertrouwelijke berichten uitwisselden en hun achterban voor hun standpunten trachtten te mobiliseren. Van Liempt is dat communicatienetwerk ook niet ontgaan maar, omdat hij zich te veel identificeert met degenen die toen tegen de Politionele Actie waren, en te graag wil laten zien wie er goed en fout waren, is hij onmachtig aan de hand van de bronnen het landschap met een zekere belangeloosheid in kaart te brengen.

Spoor

Eén van de bad guys is natuurlijk generaal Spoor, de legercommandant in Indië die het bevel voerde over het KNIL en de aldaar aanwezige Nederlandse troepen, en die toen zonder twijfel tot de haviken behoorde. Nadat Spoor had vernomen dat de Nederlandse en Indonesische onderhandelaars op 15 juli 1947 een geheim akkoord hadden gesloten over de uitvoering van de Linggadjati-overeenkomst, stelde hij in een telegram de Nederlandse chef van de generale staf, generaal Kruls, ervan op de hoogte dat hij van plan was via luitenant-gouverneur-generaal Van Mook z'n ontslag aan de koningin aan te bieden. De reden die Spoor hiervoor aanvoerde was dat men in het akkoord gevaarlijk was afgeweken van zijn inzichten omtrent de gezamenlijk door de Nederlandse en Indonesische strijdkrachten te bemannen gendarmerie.

Als hij dit voorval beschrijft roept Van Liempt verontwaardigd uit: “Op het moment dat er een vredesakkoord 'dreigt', kondigt de generaal z'n ontslag aan”, waarna de auteur zich vervolgens afvraagt hoe Spoor 'op zo'n botte manier' tegen de politieke besluitvorming durfde in te gaan, en desondanks nog steeds een 'grote reputatie' heeft. Daar is volgens hem maar één antwoord op: alle partijen hebben Spoors dreigement buiten de publiciteit weten te houden, 'eigenlijk tot vandaag aan toe'.

Hier valt Van Liempt door twee manden tegelijk. In de eerste plaats komt het ontslagincident voor op pagina 396 van de dissertatie uit 1988 van J.J.P. de Jong, Diplomatie of Strijd, en wat de reputatie van Spoor betreft: die wordt duidelijk ter discussie gesteld door mevrouw P.M.H. Groen in haar proefschrift uit 1991, Marsroutes en dwaalsporen. Het Nederlands militair-strategisch beleid in Indonesië, 1945-1950. Beide werken, zo blijkt uit de literatuurlijst, zijn Van Liempt overigens niet onbekend.

Er zijn hier te lande mensen die menen dat, als het over de Indonesische kwestie gaat, de historicus een 'hanging judge' dient te zijn in plaats van een 'recording angel'. Met dat beeld in het achterhoofd heeft Van Liempt zijn boek geschreven. Een historicus is hij er echter niet mee geworden. Hij lijkt veel meer op de dagboekschrijvende egotrippers die Drooglever bedoelt, en die met hun pen of, zoals Schermerhorn, via de dictafoon, iedereen neersabelden die er andere ideeën op na hield dan de schrijver zelf. Voor andere zaken heeft Van Liempt nauwelijks belangstelling, waardoor de lezer meer dan eens verkeerd wordt geïnformeerd en bijvoorbeeld krijgt voorgespiegeld dat generaal Kruls de hoogste baas was van Spoor. Van Liempt weet blijkbaar niet dat Spoor, als officier van het KNIL, rechtstreeks onder de luitenant-gouverneur-generaal stond, die evenals de gouverneur-generaal voor de oorlog, opperbevelhebber was van de in Nederlands-Indië aanwezige zee- en landmacht. Een gebrek is ook dat Van Liempt nergens vermeldt, en dat waarschijnlijk ook niet weet, dat Spoor naast zijn functie van legercommadant eveneens Hoofd was van het Indisch Departement van Oorlog, zoals trouwens alle legercommandanten voor hem. In die kwaliteit maakten zij deel uit van de Nederlands-Indische regering, zo ook Spoor, die dus niet alleen maar 'een' legercommadant was, zoals Van Liempt denkt.

De auteur heeft een kans gemist en het is te hopen dat ooit eens iemand voor een groot publiek sine ira et studio uiteen zal zetten waar het in het Nederlands-Indonesisch conflict nu precies om ging. In ieder geval zal men daarvoor moeten teruggaan naar de jaren voor de oorlog en de toen door Nederland in Indië gevoerde politiek tegenover de Indonesische nationalistische beweging, en naar de periode van de Japanse bezetting die op het Indonesische nationalisme zo'n grote invloed heeft gehad. Zonder enige achtergrondkennis ligt mythevorming altijd op de loer. Mij komt het voor dat Van Liempts boek danig meewerkt aan het vestigen van een beeld van ons koloniale verleden dat even bedenkelijk is als de mythe die eertijds onze koloniale geschiedenis samenvatte in de woorden 'Daar werd wat groots verricht'.