HET BESLUIT VAN MAI (2)

Om vier uur 's nachts stond Mai bij de deur van een feestzaal in Rotterdam. Ze had het benauwd, ze had het koud en ze voelde een eigenaardige verlegenheid. Ze had net haar dochter Wimla de bubbling zien dansen, maar het ging niet om die dans. Ze vond het onbehoorlijk, wat haar dochter deed, het was niet netjes, maar wat haar betreft vergeeflijk. Want ach, het kind was in Nederland opgegroeid, en niet in een Surinaams rijstdistrict.

Maar wat ze niet vergeeflijk vond was wat ze later op de avond zag, tegen een uur of half vier. Ze had haar dochter uit het oog verloren, door de drukte van al die springende jongelui. Verdoofd door de muziek en verblind door de blauwe en rode lampen baande ze zich met haar smalle schouders een weg naar de toiletten. Daar zag ze haar dochter, met haar blote rug tegen de koude muur geleund, een been opgetrokken. En voor haar, tegen haar aangedrukt, stond die nietsnut, dat vriendje om wie ze zo'n ruzie hadden gekregen. De jongen kuste haar meisje en woelde in haar mooie lange zwarte haar.

Van schrik was Mai naar buiten gelopen. Op dat ogenblik wist ze nog hoe ze zich voelde: bedrogen, diep vernederd. Wimla had haar beloofd dat ze niet meer met die jongen zou omgaan. Hij was werkloos, hij gebruikte drugs. Hoe durfde ze haar dit aan te doen? Wimla hoefde niet meer thuis te komen. Mai was vastbesloten de deur op slot te doen en de schande te dragen. Nu zouden de mensen zeggen dat een slechte moeder een slechte dochter voortbrengt.

Maar toen Mai eenmaal buiten stond en de koele ochtendlucht inademde, wist ze het ineens niet meer. Ze voelde zich niet meer in staat om te vechten. Niet tegen haar dochter en niet tegen de hindoestanen. Ze voelde zich uitgestreden en uitgeput. Dus bleef ze daar maar staan en keek naar de laag hangende wolken.

Had ze Wimla niet goed opgevoed? Wat kon ze, als alleenstaande moeder? Voor een goede opvoeding, vooral in een land als Nederland, moest je ook een vader hebben, vond Mai. Nederland maakte kinderen brutaal en losbandig en als moeder kun je wel schreeuwen, maar je kon het niet tegenhouden. Aan de andere kant zou ze aan de vader van Wimla toch niets hebben gehad. Die was een mislukkeling.

Vroeger niet, in Suriname was hij nog een goede man. Hij stond iedere ochtend om half zes op om naar het werk te gaan. Hij was chauffeur van een 'landsbus', zoals ze daar de grote lijnbussen van de overheid noemen. Hij kwam om drie uur 's middags thuis, at, deed een dutje, en ging daarna taxi rijden met zijn auto, tot tien uur 's avonds.

Ze hadden toen twee kinderen, een meisje en een jongen, de jongen was nog in het district geboren, toen haar man bij zijn ouders woonde en hielp met het planten van rijst. Maar daar zat geen toekomst in. Hij had te veel broers, hij zou dus bijna niets kunnen erven. Daarom had ze tegen haar man gezegd om een flink besluit te nemen en in de stad te gaan wonen. Een hele tijd wilde hij niet luisteren, maar hij zag langzaam in dat ze gelijk had. En hij was zo geweldig verliefd op haar, op zijn Bimla-die-zo-mooi-was-als-een-filmster, dat hij alles voor haar zou doen.

Zo kwam het jonge hindoestaanse paar in het begin van de jaren zestig naar Paramaribo. Ze vonden een klein huurhuisje op een erf en waren gelukkig. Hij werkte eerst bij Openbare Werken en vertelde niet wat hij daar deed. Zij vroeg niets. Maar toen hij chauffeur werd van een grote gele landsbus was hij zo trots dat hij haar en zijn twee kinderen meenam voor een ritje door de stad, richting Uitkijk.

Toen de onafhankelijkheid naderde had Bimla weer tegen hem gezegd een flink besluit te nemen. Iedereen ging naar Holland, straks zou dat niet meer kunnen. Het zou slecht beginnen te gaan, dat voelde ze. De rellen en branden in de stad, waardoor het op klaarlichte dag donker werd, de scheldpartijen onder de markt, de creolen die raar deden en riepen dat alle hindoestanen terug moesten gaan naar het district om rijst te planten, al die dingen maakten haar zenuwachtig.

En dan die geruchten over dat andere land waar je een huis kreeg en geld, en een gratis dokter zelfs. De scholen waren er niet maanden gesloten omdat de onderwijzers staakten, op straat zouden de kinderen niet worden getreiterd door creolen.

Haar man was niet meer zo verliefd en reageerde geprikkeld. Hij had wel een klein bedragje opzij gelegd, van de erfenis van zijn ouders, maar hij durfde het niet, een reisbureau binnenlopen en tickets kopen. Het was een hele stap, zo ver van de familie, in een vreemd land. Wat zouden ze doen als ze moeilijkheden kregen? Welke moeilijkheden, vroeg Bimla. Nou, stel je voor dat een van de kinderen ziek werd en naar het hospitaal moest, waar zouden ze het geld lenen? Dat had ze toch verteld, ze hadden daar gratis dokters. Ja maar stel je voor dat er iets anders gebeurde, waarbij ze de hulp van de familie nodig hadden? Er zal niets gebeuren, zei Bimla, en in een land als Holland had je geen familie nodig. Alles was daar geregeld. Geen familie nodig, hij vond dat een belachelijk idee.

Maar op een keer was hij scheldend en tierend thuis gekomen omdat ze hem hadden beledigd. Een paar creoolse jongens, die de rit niet wilden betalen. Of hij dacht dat het land van hem was, hadden ze gezegd en ze hadden met hun vingers tegen zijn achterhoofd geduwd. Hij verkocht zijn auto en het erf waarop hij zijn eigen huis zou bouwen en stapte een reisbureau binnen.

Maar Holland was niet zoals men vertelde. Het was wel waar, je kreeg een woning en een uitkering, maar hij was niet gewend de hele dag thuis te zitten. In het begin was het nog leuk. Bimla was trots op hem omdat hij zo'n grote stap had gewaagd. Ze brachten veel tijd samen door, de twee kinderen waren de hele dag op school en zo werd het laatste kindje verwekt, het nakomertje, het meisje dat Wimla ging heten. Ze was geboren uit liefde, en Bimla hield extra veel van haar.

Maar daarna begon het slecht te gaan. Bimla begon hem lastig te vinden als hij de hele ochtend thuis rond hing. In plaats van werk te zoeken ging hij naar een hindoestaanse bar, waar ze sentimentele filmliedjes draaiden en veel whisky dronken. Vroeger dronk hij alleen bij speciale gelegenheden. Nu kwam hij elke dag dronken thuis en deed hij alsof hij een filmster was. Als ze dan bij de kinderen ging slapen werd hij kwaad. Hij ging niet mee met z'n tijd, hij zag er oud uit, hij kreeg een dikke buik. Hij werd een nietsnut.

Ze sprak erover met een maatschappelijk werkster die haar adviseerde hem te verlaten. Dat durfde ze niet, zei Bimla. Waarom niet; sloeg hij haar, mishandelde hij haar, bedreigde hij haar? Ze wist op al die gretige vragen geen antwoord. Of hij haar sloeg? Hij had haar weleens een klap gegeven, ja, maar alleen als hij niet wist wat hij terug moest zeggen. En hij was niet als zijn broers en neven, die een riem namen om tegen hun vrouwen tekeer te gaan. En bedreigen, waarmee zou hij haar bedreigen? Hij was geen slechte man, alleen maar een nietsnut. Maar ze had de maatschappelijk werkster verteld dat hij wel eens geslagen had, en de mevrouw was woedend geworden. Ze had haar de volgende dag meegenomen naar een rechtswinkel en voor ze het wist zat ze een echtscheiding aan te vragen.

(Wordt vervolgd)