Griekenland en Turkije verwijten elkaar de vertrouwde vijandschap; 'Kunstmatige crisis' rond 12-mijlszone in Egeïsche Zee

ATHENE, 18 JUNI. Een van de opmerkelijkste uitspraken van de voormalige Griekse premier Mitsotakis was, dat zijn land niet werd bedreigd vanuit Turkije. De socialistische oppositie - nu weer onder Andreas Papandreou aan de macht - viel daarover. Maar ook de toenmalige minister van defensie Varvitsiótis distantieerde zich ervan. De huidige conservatieve oppositie onder Evert is weer helemaal terug op het vertrouwde standpunt, dat Turkije het grootste gevaar vormt.

Zowel Evert als premier Papandreou ontwaart ook achter de problemen waarmee het land in het noorden worstelt - 'Macedonië', Albanië dat de Griekse minderheid onderdrukt en Grieks Thracië, waar een islamitische minderheid Athene moeilijkheden veroorzaakt - een “Turkse vinger”.

De vertrouwde stelling wordt natuurlijk bevestigd, steeds wanneer Turkije met een tegen Griekenland gericht woordenoffensief komt, zoals de laatste weken weer het geval was. Daarbij moet men in aanmerking nemen dat in Turkije het westelijke nabuurland nooit als eerste vijand is beschouwd. De erfvijand, dat is - na dertien oorlogen - Rusland; de opperbevelhebber van de Turkse strijdkrachten Güres heeft vorige week nog weer verkondigd dat het primaire gevaar voor zijn land daar vandaan komt en dat dat gevaar nog is toegenomen na de val van het communisme.

De Turkse president Demirel heeft zijn Griekse ambtgenoot Karamanlís vorige week een brief geschreven waarin hij zich beklaagde dat Koerdische terroristen van de PKK in Griekenland zouden worden bewapend en opgeleid, iets wat uit “bekentenissen” zou zijn gebleken. Ongeveer gelijktijdig bracht de Istanbulse krant Milliyet een vraaggesprek met de Turkse premier, Tansu Çiller, waarin deze aankondigde dat haar troepen op Griekse eilanden vlak voor de Turkse kust zullen landen zodra Athene het oude plan voor het afkondigen van een twaalf-mijlszone om de eilanden uitvoert, zulks om te vermijden dat Turkije zowat van de Middellandse Zee zou worden afgesloten.

De reactie in Griekenland was er meer een van hilariteit - veel wilde spotprenten - dan van alarm. Wat de beschuldigingen inzake de Koerden betreft, werd gesteld dat er van Turkse zijde bepaald moed voor nodig is buitenstaanders opmerkzaam te maken op de “resultaten” van de beruchte Turkse verhoren. De antwoordbrief van Karamanlís was natuurlijk wat beleefder. Er was geen sprake van Griekse steun aan de PKK - die in Athene wel een kantoor heeft. En bovendien voerde zijn land zijnerzijds ook een strijd tegen het terrorisme.

Inzake de twaalf-mijlskwestie kwam de Turkse minister van buitenlandse zaken Çetin meteen met een afzwakking van Çillers woorden, waarin hij onder andere zei dat het om een oud vraaggesprek ging. Maar dit werd noch door de krant, noch door de premier beaamd, en president Demirel uitte zich enige dagen later tijdens een legeroefening in dezelfde trant. Intussen had de Griekse regering van Çetins matigende woorden gebruik gemaakt, de zaak enigszins weg te wuiven. Het ging om een “kunstmatige” crisis, opgeroepen “voor binnenlandse consumptie”.

Daar kon Athene wel eens gelijk in hebben. De twaalf-mijlskwestie wordt op gezette tijden door Ankara of door de Turkse pers opgerakeld, waarbij doorgaans ten onrechte de indruk wordt gewekt dat Athene op het punt staat deze zone uit te roepen. “Het gaat ons niet om dreiging”, zei Demirel deze week nog weer, “maar om de Grieken af te houden van een daad die voor hen noodlottige consequenties zou hebben”.

De Grieken weten opperbest dat uitroeping van de twaalf-mijlszone oorlog zou betekenen en het enige dat zij onderstrepen is hun juridisch recht zo'n stap te zetten. Komend najaar treedt de zeerechtconventie waarin dit recht werd vastgelegd - zonder Turkse handtekening - in werking. En wellicht heeft dit de Turkse regeerders ertoe gebracht weer eens een waarschuwing uit te geven. Maar in Griekenland ontbreken, zelfs in het ultra-nationalistische kamp, tot nu toe stemmen die tot de uitroeping opwekken.

Waar de Grieken zwaarder aan tillen, is de wijze waarop de Verenigde Staten het Turkse woordoffensief begeleiden. Tijdens de NAVO-conferentie in Istanbul kwam de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken, Warren Christopher, met een vermaning aan de Grieken hun vluchten boven de Egeïsche Zee voortaan ongewapend te verrichten. De Turken verkondigen dat zij dit de laatste tijd ook deden, maar dat zij nu weer tot gewapende vluchten overgaan, omdat er van Griekse zijde niet op is geantwoord.

De gevaren van deze vluchten komen vooral voort uit het feit dat de Grieken sinds de jaren twintig vasthouden aan een tien-mijlszone in de lucht, terwijl die in Turkse ogen zes mijl is. De Turken vinden dus dat hun luchtruim wordt geschonden, terwijl de Grieken klagen dat de Turken het Griekse schenden. De woordvoerder van het State Department heeft dezer dagen openlijk partij gekozen voor het Turkse standpunt - ook voor de VS geldt een zes-mijlszone. Maar Athene had wat vriendelijkers verwacht na het grootscheepse bezoek dat Papandreou in april aan Washington had gebracht.

Er is - en dat geldt ook voor de geschillen met Albanië en 'Macedonië' - al geruime tijd een duidelijke discrepantie tussen het 'begrip' dat president Clinton voor de Griekse standpunten opbrengt - mede onder pressie van de Griekse lobby die op hem stemde - en de opstelling van het State Department en de Amerikaanse pers die veel kritischer jegens Athene zijn.