EENZAAM NAAR DE TOP

Verslag van de klimexpeditie op de 8167 meter hoge Dhaulagiri, een van de hoogste bergen van de Himalaya, Nepal: solo, geen vaste touwen, geen radiocontact en overnachten in een kleine bivaktent. Een gevecht met de natuur. 'De Dhaulagiri wil dat ik opdonder.'

Het schemert. Ik lig in mijn slaapzak, open de rits van de tentdeur en zie dat het nog steeds sneeuwt. Er is de afgelopen nacht zeker een halve meter gevallen. Ik pak de thermometer, krab het aangevroren ijs eraf. Het is - 27 Celsius. Ik verdwijn weer gauw onder het dons.

Het is 10 april. Gisteren bereikten we in een sneeuwstorm, na acht dagen lopen, de gletsjer aan de voet van de Dhaulagiri en zetten we in een gevecht met de wind twee tenten op - mijn basiskamp, 4650 meter hoog. De noordwand van de Dhaulagiri is vlakbij, maar ik heb hem door de sneeuw en de wolken nog niet gezien. Wel komen van die kant voortdurend de geluiden van lawines - zware dreunen, vermoedelijk ijstorens die naar beneden donderen, maar ook sneeuwlawines die razen als sneltreinen.

Om half zeven brengt Tashi thee. Hij kruipt de tent in en zegt: “Bart, problem.” Hij wijst in de richting van de keukentent. “Porters blind. Jenbu, Prem, Pasang, Maila.” Hij lacht zenuwachtig en murmelt de andere namen. Alle acht dragers zijn sneeuwblind. Gisteren weigerden ze op de besneeuwde gletsjer hun zonnebrillen op te zetten. Ik haal uit de ton met medicijnen een flesje met verdovende oogdruppels, trek mijn Moonboots aan en loop snel door de diepe sneeuw naar de keukentent. Met gezwollen tranende ogen liggen de dragers dicht tegen elkaar op dunne matrassen. In hun midden reutelen twee kerosinebranders. Terwijl Tashi de kreunende en klagende hoofden vasthoudt, doe ik druppels in hun ogen. Ik merk dat ze echt stekeblind zijn en dat zullen ze nog zeker twintig uur blijven, zodat ze vandaag niet meer kunnen afdalen.

Mijn plan voor de beklimming van de 8167 meter hoge Dhaulagiri is eenvoudig: solo, geen vaste touwen, geen walkie-talkies of radio en overnachten in een kleine bivaktent die ik meesjouw. De eerste weken wil ik aan de hoogte en de eenzaamheid wennen door het basiskamp, met de kok Tashi en zijn hulpjes Prem en Jenbu, voor meer dan twee weken te verlaten. Ik steek dan de 5360 meter hoge pas French Col over om een paar ruim zesduizend meter hoge bergen ten noorden van de Dhaulagiri te beklimmen. Daarna zal ik een paar dagen uitrusten in het basiskamp en al mijn aandacht richten op de Dhaulagiri: een weg vinden door of langs de gevaarlijke ijsval, daarboven overnachten en verder klimmen naar de Noord-Oost Col, 5877 meter hoog, waar ik een tent, gas en voedsel voor ruim tien dagen wil deponeren. Dan naar beneden, terug naar het basiskamp, uitrusten en wachten op mooi weer voor de uiteindelijke topbeklimming in de tweede of derde week van mei, wanneer traditioneel - voor het invallen van de moesson - de wind van het westen naar het oosten draait en op grote hoogte de windkracht afneemt.

De volgende dag vertrekken de dragers, de zonnebrillen stevig op hun neuzen gedrukt. Half mei zullen ze terugkomen. Met zijn vieren blijven we achter. Dagen lang sneeuwt het onophoudelijk. We zetten nog twee kleine tenten op en gaan om beurten, eenmaal per uur - dag en nacht - naar buiten om de sneeuw van de tenten te scheppen. Een paar keer per dag verlaat ik mijn tent om in de keukentent te eten, maar verder lig ik in de slaapzak te slapen of te lezen. Urenlang luister ik naar cellosuites van Bach en pianosonates van Schubert, tot de recorder de geest geeft. De komende anderhalve maand ben ik aangewezen op mijn eigen geneurie en op Prem die een bamboefluit heeft meegenomen waarop hij telkens hetzelfde Nepalese deuntje produceert. Ik verlang naar de zon en het moment waarop ik op stap kan gaan en verdring mijn zorgen over alle sneeuw die is gevallen, het lawinegevaar en de gletsjerspleten die nu met poedersneeuw bedekt zijn.

Langzaam wordt de sneeuw dunner. Het begint te hagelen en harder te waaien. De vijfde ochtend is het windstil, het sneeuwt of hagelt niet, maar het is dicht bewolkt - de Dhaulagiri heb ik vanuit het basiskamp nog steeds niet gezien. Lawines razen aan alle kanten. “Pairo, pairo!” roept Tashi telkens opgewekt. “Lawine, lawine!”

Dan is het 's nachts ineens helder en zie ik de voet van de bergwand. Hij lijkt vlakbij. Daarboven - drie en een halve kilometer hoger - de top. De sneeuw glinstert in het maanlicht. Lawines versluieren delen van de witte berg. Ik kleed me warm aan en klim naar een platte steen boven het basiskamp. Ik geniet van het zicht tot ik ril van de kou.

Na die heldere nacht vriest het 's morgens meer dan 35 graden. De zon staat nog achter een bergrug. Langzaam zakt de schaduwgrens over de noordwand van de Dhaulagiri en kruipt over de gletsjer dichterbij. De meeste sneeuw die de afgelopen dagen is gevallen is weggewaaid, maar toch ligt er nog ruim een meter. De paden die we de afgelopen dagen tussen de tenten hebben uitgegraven lijken loopgraven. Ik rol mijn tentdeur op, kruip weer in de slaapzak en bestudeer, met een kop thee in mijn handen, voor het eerst de route die ik wil klimmen. Het is de weg van de Zwitsers, die in 1960 als eersten de top bereikten. Het was een grote expeditie, die zelfs ondersteund werd door een vliegtuigje - de Yeti - dat een paar keer landde op de Noord-Oost Col. Tot de machine crashte bracht ze honderden kilo's naar boven. Tegenwoordig zijn er soms wel vijf expedities die de berg tegelijk belagen, maar dit seizoen is mijn expeditie de enige.

Het eerste stuk over de gletsjer kan - behalve de dikke laag sneeuw - geen moeilijkheden geven. De ijsval, een 500 meter hoge knik in de gletsjer, waar het ijs in grote brokken omlaag schuift, is ontoegankelijk. Langs de rotswanden links is onmogelijk, ze zijn bedekt met sporen van ijslawines van naar beneden gevallen séracs - ijstorens. Alleen de rotswand rechts blijft over: over ijsvelden aan de voet van de Eiger, een hoge rotswand die zo wordt genoemd omdat hij zoveel lijkt op die berg in de Alpen. De rotsen zijn bedekt met dikke lagen sneeuw die nu door de warmte van de zon losraken en als lawines op de ijsvelden vallen. Het zal er de komende tijd te gevaarlijk zijn om er te klimmen. De gletsjer boven de ijsval kan ik niet zien, wel de Noord-Oost Col. Harde wind blaast er de sneeuw omhoog. De sierlijke spiralen dansen in de richting van de sneeuwgraat die naar de top leidt.

Als mijn tent in het felle zonlicht staat, wordt het benauwd. Ik leg de slaapzak en de donsjas op de tent, zodat de temperatuur binnen draaglijk wordt. “Bart, breakfast”, roept Tashi en ik slenter naar de keukentent. Op de tafel van gestapelde stenen staan naast de potten jam, pindakaas en hagelslag borden met pannekoekjes, chapatti's en gebakken eieren. Iedere morgen moedigt Tashi me aan alles op te eten. Het lukt me nooit.

Die dag blijft de zon schijnen tot de middag, wanneer wolken vanuit de lagere dalen omhoog trekken en nog meer sneeuw brengen. Ik denk eerst dat het de overgang naar mooi stabiel weer is, maar ook de volgende dagen is dat het ritme van de berg: 's middags en 's avonds meer dan een halve meter sneeuw, 's nachts helder en 's morgens een brandende zon, die enorme lawines op de berg veroorzaakt. Ik betwijfel of het zin heeft mijn plan te volgen en eerst naar de zesduizenders in het noorden te gaan. “Ligt er niet te veel sneeuw?” vraag ik me keer op keer af. Maar na dagen van verveling in het basiskamp pak ik mijn rugzak en vertrek nog in het donker, op weg naar French Col. Ondanks de hulp van de skistokken moet ik al na drie uur omkeren. De sneeuw is heupdiep. Het zal nog weken duren voor de pas toegankelijk is. Teleurgesteld loop ik terug. Door de warmte van de zon wordt de sneeuw steeds zachter en tot in het basiskamp zak ik er diep in weg. Tashi wacht me op, een ketel thee in de hand. Hij is verbaasd en zegt: “New plan?” Ik wijs naar de Dhaulagiri, er is geen alternatief. De lucht betrekt, de eerste vlokken vallen al, en ik drink de thee in de keukentent.

's Ochtends om vier uur ben ik weer op weg. Met de lichtbundel van de hoofdlamp zoek ik de bamboepaaltjes die ik eerder op de gletsjer had gezet en die een veilige weg, zigzaggend tussen de spleten, markeren. Het schemert als ik onder aan de Eiger sta. Op de ijsvelden ligt een dikke laag sneeuw, maar ze is poederig en de punten van mijn stijgijzers hebben een goede greep in het harde ijs. Ik stijg snel, stop onderaan een steile passage, pak de ijsbijl en klim verder. Ik schop de voorpunten van de stijgijzers aan mijn rechtervoet in het ijs, belast ze, trek mijn linkervoet los en zet die naast mijn andere voet. Voorzichtig richt ik me op, wrik de pickel los en sla hem zo hoog mogelijk in het ijs. Daarna volgt de ijsbijl. Ik wrik mijn rechtervoet los en herhaal de handelingen. Na het steile ijs klim ik langs de rand van de ijsval. De sneeuw is stevig en ik geniet van de bewegingen, van het gezwoeg en van het uitzicht dat na die lange tijd in het basiskamp eindelijk is veranderd. Ik stop even bij een bamboe met een oranje vlaggetje - het moet daar staan sinds de expedities van afgelopen najaar. Onder me kraken de ijstorens in de chaos van de ijsval, boven me rijst de met sneeuw bepleisterde Eigerwand hoog op. De zon raakt net het topje van de berg en de eerst stuiflawines vallen al naar beneden. Ik haast me en twee uur later klim ik over sneeuw die is ingeklemd tussen hoge séracs en de rotswand.

Nog dertig meter en dan ben ik boven de ijsval uit, op het niveau van het gletsjerplateau. De sneeuw wordt mul, ik moet haar voor iedere stap aanstampen en dan zak ik er nog tot mijn knieën in weg. Iets hoger komt de sneeuw tot aan mijn middel. Het is nog maar vijftien meter tot de rand en ik pak de schep, maak een geul, stamp en probeer me omhoog te worstelen. Het eindigt in zinloos gezwem in een massa poedersneeuw. Moedeloos stop ik en kijk omhoog. Het is broeierig warm, de rotswand is hel verlicht en een paar zware lawines vallen boven me op de sneeuw. “Verdwijnen”, schiet het door me heen. Ik pak snel de last uit mijn rugzak - touw, ijsschroeven, musquetons en wat voedsel -, markeer het met een lange tentstok en daal af. Rommelend schudt de berg de sneeuw van zich af. Kleine lawines lijken me te achtervolgen, maar niet één weet me te raken. Als ik opgelucht het laatste ijsveld heb verlaten en veilig op de gletsjer sta, besef ik dat deze beklimming wel erg gevaarlijk is. Nog nooit werd ik in een lawine meegesleurd. Hier lijkt het ieder moment te kunnen gebeuren. Heb ik me thuis niet vergist? Ik koos een hoge berg en een simpele route. Heb ik in al die oude verslagen over de gevaren heen gelezen? Of heb ik gewoon pech?

Vier dagen lang zie ik weer iedere morgen vanuit het basiskamp de lawines van de Eigerwand over mijn route denderen, 's middags sneeuwt het onafgebroken. Ik lig in mijn tent en probeer me van de berg weg te lezen - Patriotten en Bevrijders. Aan de hand van Simon Schama dool ik door het armoedige Nederand, tweehonderd jaar geleden. Ik moet oppassen niet te snel te lezen, anders ben ik binnen een week door mijn vier boeken heen.

De vijfde dag sneeuwt het minder en ik verlaat in het holst van de nacht het kamp; ik moet zoveel mogelijk gebruik maken van de nachtelijke kou. Maar de sneeuw is zachter en dieper dan de eerste keer en pas om elf uur ben ik op de plaats waar ik de spullen heb achtergelaten. Ik zoek de tentstok, maar zie hem niet. Ik prik met een skistok in de sneeuw, maar ik vind niets. Ik geef het zoeken op. Terwijl kleine lawines over me heen stuiven ben ik driftig met de schep in de weer. Het is warm en de sneeuw is zwaar en papzacht, en ook nu loop ik vast. Vlakbij, onder een overhangende rots, is een beschutte plek waar ik de bivaktent opzet. 's Middags rits ik de tentdeur open en zie een gordijn van witte vlokken. Er valt zeker twee meter.

's Nachts is het helder en ik ga weer omhoog, maar ik sta nog eerder dan gisteren tot mijn oksels vast in de sneeuw. Het is hopeloos. Ik keer om, breek de tent op en daal af. De traverse van de ijsvelden lijkt soms op het oversteken van een drukke weg: even wachten tot de lawine voorbij is en oversteken. Schrjoef, schrjoef, daar schieten ze al weer achter me langs. De nieuwe sneeuw ligt los op de zware sneeuw die nauwelijks is gehecht aan het harde ijs. “Dit is levensgevaarlijk”, mompel ik.

Als ik eindelijk weer op de gletsjer sta ben ik doodop van de spanning en de angst. Ik stop even en kijk omhoog naar mijn spoor, een diepe geul door de mulle sneeuw. Van hoog uit de Eigerwand valt een kleine lawine. Ze ketst op rotsen en veroorzaakt een grotere lawine van een grijze brij van stenen en ijs, die lang vrij lijkt te vallen, tot ze op het onderste ijsveld uiteenspat. Het is even stil, dan hoor ik gegrom en zie dat door de lawine de dikke laag sneeuw van het ijs is losgeraakt en naar beneden schuift. Eerst langzaam, maar dan krijgt de meer dan tweehonderd meter hoge laag snelheid. De sneeuw bromt en dendert, de oppervlakte golft. Even kijk ik gefascineerd, dan voel ik het gevaar. Ik haal mijn handen uit de lussen van de skistokken, gooi de stokken naast de pickel en de ijsbijl neer. Ik hol naar een gletsjerkuil, kijk nog even omhoog naar de vloedgolf van sneeuw en ijsbrokken die op me afkomt, ga liggen en maak me zo klein mogelijk - de ene arm omklemt mijn hoofd, de andere mijn onderbenen. Het lawaai zwelt aan, ik sluit mijn ogen, haal diep adem. De lawine rolt over me heen. Even lig ik nog in de kuil, dan word ik opgetild en meegezogen. Ik stuiter tegen een grote ijsklomp, sla een paar keer over de kop en schuif dan met de ijsbrokken mee naar beneden.

Als ik stil lig, open ik mijn ogen. Het is blauw - lucht, dus ik lig aan de oppervlakte. Ik draai mijn hoofd en kijk diep in een gletsjerspleet. Het waait ineens hard, het is de wolk van stuifsneeuw die na de lawine komt. Ik duik met mijn hoofd in mijn hemd en houd mijn adem in tot de wolk is overgewaaid. Plotseling is het stil en hoor ik alleen nog maar het gekraak van de ijsval. Het is voorbij, besef ik. Mijn armen trillen.

De laatste week van april neemt het sneeuwen af. In het basiskamp smelt er meer dan er valt en hoger lijkt de Dhaulagiri toegankelijker. Ik slaag erin de ijsval te passeren, bivakkeer op het gletsjerplateau en de Noord-Oost Col. Goed gemarkeerd laat ik er de tent, gas en eten achter en klim verder, voorbij resten van tenten van eerdere expedities. Ik moet omkeren op een hoogte van 7250 meter, aan de voet van een rotswand, bepleisterd met sneeuw en ijs - het laatste lastige stuk voor de top. Nog een week mooi weer en ik kan hem beklimmen. Dezelfde dag daal ik af naar het basiskamp. Ik wil er twee dagen rusten, voordat ik met de warmste kleren terugkeer voor de topbeklimming.

Ik kijk omhoog naar de Noord-Oost Col en volg mijn klimspoor door de gletsjerwand, langs de séracs en over de sneeuwvelden. Een gracieuze, scherpe lijn, alsof ik een kras op de berg heb achtergelaten. Ik staar naar de plek waar de lawine die me meesleurde, afbrak. De breuklijn is nog steeds zichtbaar. Overmorgen zal ik daaronder voor het laatst omhoog gaan. Opgewekt zet ik de volle rugzak in het portaal van de tent.

Vier dagen later staat de rugzak daar nog steeds. Het stormt al drie dagen. Slowaken die een trektocht maken, kamperen vlakbij. Wanneer zij opbreken ben ik jaloers en vervloek ik mijn gedwongen verblijf in het basiskamp. Ik moet weer wachten tot de berg de sneeuwvracht is kwijtgeraakt.

Maar het klaart op. Een dag lang brandt de zon en ik ga in het donker op weg. Tashi is opgestaan en loopt mee tot halverwege de gletsjer. Mocht ik binnen drie weken niet terug zijn, dan moet hij het basiskamp opbreken en vertrekken. Op de gletsjer herinner ik hem lachend aan zijn belofte geen poging te doen om me te zoeken. Hij schudt het hoofd en zegt alleen: “Summit, good luck.”

De sneeuw is weer dieper en zwaarder dan de vorige keer. Het is windstil en op het gletsjerplateau is het verlammend warm. De gletsjer is vol spleten die nog bedekt zijn met sneeuw. Het is te gevaarlijk verder te klimmen en ik besluit hier te overnachten. Ik zet de tent neer op een bolling, in het midden van het U-vormige dal, zo ver mogelijk weg van lawineresten. Een veiliger plek zie ik niet.

Terwijl ik buiten chocolademelk drink bestudeer ik de graat en herken de plek waar ik vorige week omkeerde.

's Middags drijven wolken uit de dalen omhoog, maar het sneeuwt niet en opgewekt val ik in slaap. Om drie uur 's nachts is het helder. Ik schep een pannetje vol met sneeuw en zet het op de brander. Ik wil snel vertrekken. Maar voordat ik mijn eerste halve liter thee op heb, is de lucht betrokken. Het waait hard en begint te sneeuwen. Al gauw gaat de wind over in storm. Ik draai de brander uit en verdwijn weer in mijn slaapzak.

De hele dag en volgende nacht raast het rond mijn tent. De derde nacht word ik wakker. Het is vreemd stil buiten. Ik ga zitten en open de tentdeur. Sneeuw valt naar binnen, en ik sluit de rits. Ik stomp hard tegen het tentdoek. Het geeft nergens mee - de hele tent is bedekt met sneeuw. Ik kleed me aan om haar uit te graven. Als ik halverwege ben, begint het weer hard te waaien en snel is de tent sneeuwvrij. Maar de wind jaagt de sneeuw in de richting van de Col. Meters hoog moet het daar nu liggen, de weg omhoog is versperd.

Snel veranderen mijn plannen en verwachtingen. Een paar dagen geleden was ik nog in gedachten aan het klimmen op de graat, tenten aan het opzetten, aan het overwegen om kamp drie over te slaan en te bivakkeren in plaats van een kamp vijf op te zetten. Nu denk ik alleen nog maar aan veilig terugkeren en aan de gevaren van de met sneeuw bedekte spleten van de gletsjer, aan de séracs van de ijsval, aan de ijsvelden van de Eigerwand, de lawines. Red ik het wel met het gas en het eten tot de omstandigheden goed genoeg zijn om af te dalen? Zelfs ben ik in gedachten al in het basiskamp aan het inpakken en aan het wandelen door de groene dalen. Weg van de berg.

Die middag is de storm even bedaard. Ik open de rits van de deur en zie door de mistvlagen een donker streepje - de eerste bamboestok die de weg naar beneden wijst. Twee weken geleden plantte ik hem daar, rechtop en zeker anderhalve meter hoog. Nu steekt hij nog net boven de sneeuw uit.

De zesde avond gaat de wind liggen. Of er nu beter weer komt of dat het slechts een stormpauze is, is voor mij niet meer van belang. Mijn eten en gas zijn bijna op en ik moet afdalen. Om twee uur 's nachts ga ik rechtop zitten, zet mijn hoofdlamp op en begin sneeuw te smelten. Als ik een liter thee heb gedronken en de laatste cracker heb gegeten, verwarm ik nog even mijn handen boven de brander. Hoog boven me hoor ik gekraak. Na al die dagen herken ik het als het geluid van een stuk van de hanggletsjer die ruim tweeduizend meter hoger losraakt. De eerste nacht schrok ik vreselijk toen het op het ijs plofte, nu ben ik eraan gewend. Het ijs scheurt en schuurt langs de rotswand. Ik wrijf mijn handen en trek de zijden handschoenen aan, op het vallende ijs let ik al niet meer.

Ineens is de tent vol van een oorverdovende dreun, de gletsjervloer veert, een geloei zwelt aan en ik vlieg met tent en al door de lucht, stuiter op de gletsjer en word verder geblazen. “Dit is het eind”, schiet het door me heen. “Ik word bedolven onder meters sneeuw!” In een reflex pak ik het zakmes - daarmee kan ik me uit de tent snijden, bedenk ik. In de andere hand heb ik mijn buitenschoenen vast. De brander is gelukkig uit. Nog een keer wordt de tent opgetild, daarna schuif ik langzaam verder. De tent ligt half op zijn kant, ik duw haar recht. Dan staat de tent stil, de wind neemt af. Ik glimlach en open voorzichtig de tentdeur. De bolling waar de tent stond is zeker honderd meter verder. Vlakbij liggen de resten van de sérac. De Dhaulagiri wil dat ik opdonder. Snel kleed ik me aan, pak de rugzak, breek de tent af en begin met de afdaling.

Chagrijnig zit ik op een grote steen. Het is half mei. In het basiskamp loopt sinds een paar dagen een scheur door het ijs, vlak langs mijn tent, onder de tent van Tashi door, dwars door de keukentent en dan omhoog. s Nachts kraakt en knalt het ijs en voelen we schokken. Af en toe porren we met een bamboe in de spleet of gooien we een steen naar beneden om te horen hoe diep hij is.

Vandaag was het prachtig weer en voor het eerst gaat de zon haast onbewolkt onder achter de Dhaula-Himal, de hoge toppen rond de Dhaulagiri. Zes dagen goede sneeuw- en weersomstandigheden kan ik, met de moesson die snel komt, niet meer verwachten en ik heb de beklimming opgegeven en zal overmorgen vertrekken. Vanmiddag heb ik de spullen gesorteerd. Een kapotte slaapzak, zakjes muesli, gasbollen, batterijen, boeken - alles wat te zwaar is om mee terug te nemen, heb ik verbrand. De resten gooi ik in een diepe gletsjerspleet. De vijf dagen lopen over twee hoge besneeuwde passen heb ik maar drie dragers, de andere vijf zijn niet komen opdagen.

Met een brok in mijn keel verwarm ik me bij het vuur en als ik de bruine keukentent en de drie blauwe slaaptenten zie, twijfel ik. Moet ik niet nog een paar dagen wachten? Maar als ik omhoog kijk, van mijn voetspoor over de gletsjer tot aan de top van de Dhaulagiri, weet ik dat het zinloos is te hopen daar binnenkort nog te klimmen. De poedersneeuw op de ijsvelden van de Eiger is veranderd in zware pap, onder de Noord-Oost Col is die enorme hoeveelheid nieuwe sneeuw nog steeds niet gezet, en rond het plateau van kamp 1 zijn er voortdurend lawines. Minuten lang staar ik naar de topgraat en het hoogste punt en verbeeld me even daar te klimmen. Het is een grote rots, niet meer dan een paar vierkante meters. Er hangt een witte vaan van opgewaaide sneeuw, dus het zal er nu hard waaien en koud zijn. Maar daarvoor had ik juist die dons-overall meegenomen. Ik zoek de rotshaak die Kurt Diemberger, bij de eerste beklimming, er heeft achtergelaten, kijk naar het oosten - Nilgiri en Annapurna, naar het noorden - de bruine vlakte van Tibet. Het uitzicht kan ik me door de vele foto's die ik heb gezien, precies voor de geest halen. Voor vertrek was ik er zó van overtuigd dat ik er wel bovenop zou komen. Ik voelde me sterk. “Kloteberg”, murmel ik en mopper uit woede op de ambtenaren van het Nepalese ministerie van toerisme die, nadat ik achtduizend dollars had betaald voor de vergunning de berg te mogen beklimmen, tegen me spraken alsof ze me een gunst verleenden.

Ik wil niet meer naar de Dhaulagiri kijken en draai me om naar het noorden waar een modderstroom over een smeltende puinhelling omlaag klettert.

Na het eten zit Tashi met zijn rug naar me toe. Hij fluistert tegen Prem. Als ik nieuwsgierig word en over zijn schouder probeer te kijken, draait hij zich triomfantelijk om. In zijn handen houdt hij een cake, besmeerd met witte room. Hij grijnst. “For you. Mountain full of snow.” Hij haalt diep adem en blaast zacht over het topje. “And wind.” De tent wordt alleen verlicht door een kleine kaars, zodat Tashi de tranen in mijn ogen niet ziet.