Decors Karel Appel onmisbaar; Opera Noach eerst sloom, maar later groots spektakel

Voorstelling: Noach van componist Guus Janssen en librettist Friso Haverkamp, door De Nederlandse Opera. Uitvoering: Ay-Kherel Ensemble/koor en Het Nieuw Artis Orkest o.l.v. Lucas Vis m.m.v. Lieuwe Visser, Claron McFadden, Huib Rooymans, e.a. Regie: Pierre Audi. Decors: Karel Appel. Kostuums: Jorge Jara. Dans: Min Tanaka. Gezien: 17/6 Stadsschouwburg Amsterdam. Herhalingen aldaar: 18, 19, 20 en 21/6.

In Noach, de opera van Guus Janssen die gisteravond in de Amsterdamse Stadsschouwburg in première is gegaan, wordt het publiek overspoeld door een vloedgolf van beelden, klanken en woorden. Er zijn vier boventoonzangers uit Mongolië, twee dansers uit Japan, een jazz-septet en een klassiek strijkkwartet. Er klinken eenzame geluiden van een bultrugwalvis, krijsende saxofoons, jankende violen en een gestreelde harp. Er is een jazzy groove en een hete bossanova. Er is een stortvloed van woorden: opsommingen van uitgestorven of bedreigde dieren, van windsoorten, van primitief en geavanceerd wapentuig, en van nog veel meer. Er zijn weelderige en vooral kleurrijke decorstukken, en grillige zwarte beesten.

En er zijn, behalve de vier boventoners, slechts twee zangers, twee bijzonder zware rollen, voortreffelijk gezongen door de bas Lieuwe Visser en sopraan Clarron McFadden, alias de heer en mevrouw Noach. Hij is de slechterik, vandaar dat hij zich voortdurend uit in een bits, bijna schreeuwerig Sprechgesang. Zij verbeeldt het goede, het menselijke. In hun beginduet klinkt haar stem nog met dezelfde verbetenheid als die van hem. Maar ze weet zich met kleine coloratuurtjes los te weken uit die klank. In een vibratoloze, strakgespannen toon klinkt later haar treurzang 'Hoe dood/Hoe koud/Hoe zinloos'. En op het hoogtepunt van haar roem, dartelt haar stem hoog als een Königin der Nacht op het woord 'kaffers'.

Hoe goed Visser en McFadden ook zongen, toch is het de vraag of de werkelijke hoofdrolspeler in Noach niet het decor is. Voor de derde keer sinds 1991 heeft de Nederlandse Opera decors laten ontwerpen door een beeldend kunstenaar. De strakke ijzerconstructies van Jannis Kounellis voor Die Glückliche Hand/Neither (1991) waren fraai van vorm maar hadden nauwelijks een eigen betekenis, de gigantische poppen van Georg Baselitz voor Punch & Judy (1993) vormden eerder een belemmering voor de regie dan een steun in de rug. De overdaad aan vormen en kleuren die Karel Appel bedacht voor Noach lijken daarentegen onmisbaar voor deze opera.

Prachtig zijn de geschilderde doeken, met een koddige dodo, een golvende zee en fladderende vleermuizen. De levensgrote fel-oranje bultrugwalvis is een soort drie-dimensionaal schilderij van Appel, symbool voor de dieren die mevrouw Noach van de ondergang wil redden. Hetzelfde beest komt even later verkleind terug, als meneer Noach hem uitscheldt voor 'Margarine, schoensmeer, zeep, vet, lippenstift' enz.

In dit decor kan regisseur Pierre Audi goed uit de voeten. Hij maakte een beweeglijke voorstelling, waarbij niet alleen het toneel, maar ook enkele zijbalkons, de gang voor de eerste rij en de orkestbak werden betrokken. Een van de musici lijkt tot Noachs uitverkorenen te behoren en ook dirigent Lucas Vis moet het ontgelden.

De kleurrijke decors van Appel passen daarom zo goed bij Noach, omdat ze het strip-achtige karakter ervan benadrukken, dat volgens componist Guus Janssen en librettist Friso Haverkamp typerend is voor hun opera. Ze hebben gelijk, Noach is een stripverhaal. Bij vlagen een sterk en soms ook geestig verhaal. Over een zondvloed zonder God, over een (of eigenlijk: de) man die zichzelf tot norm verheft en beschikt over leven en dood, en een (de) vrouw die het opneemt voor de zwakken, voor het leven - man en vrouw worden gespiegeld in twee dansende, of eerder kronkelende figuren.

Maar het strip-achtige karakter is tevens de beperking. Het verhaal is twee-dimensionaal. Je kijkt voordurend naar plaatjes. Er zit nauwelijks ontwikkeling in de gebeurtenissen. Haverkamp wees op de eenzijdigheid van het bijbelverhaal, waarin met geen woord wordt gerept over de schuldeloze slachtoffers van de zondvloed. Maar zijn libretto is niet minder eenzijdig. Vanaf de eerste scène is Noach de schurk en zijn vrouw de heldin, er gebeurt niets waardoor zij zich ontwikkelen of op andere gedachten komen.

Ook de muziek vult dit gebrek aan diepgang van de karakters onvoldoende in. Janssens noten (deels in partituur, deels geïmproviseerd) zijn als altijd goed gekozen. Hij schildert met een rijk gevarieerd instrumentaal palet - er wordt bovendien uitstekend gemusiceerd. Maar na een tijdje herken je de donkere, trage akkoorden ter ondersteuning van de ingetogen passages, en de piepende saxofoons en klarinetten waarmee de diergeluiden worden nagebootst.

Janssen weet de twee tegenpolen, het Mondriaan Kwartet en zijn eigen jazz-septet, muzikaal niet goed te integreren. Vooral de mogelijkheden van het kwartet worden daardoor niet genoeg benut. Alleen in het begin van de vierde acte bij de 'laatste wening' van mevrouw Noach janken de violen met haar mee. Het 'beeldende' werk komt voor rekening van blazers, slagwerk en piano, die laatste bespeeld door de componist zelf.

Onbedoeld gaan daardoor de scherpe contrasten is tempo, ritmiek en dynamiek werken als effectbejag. Het gebruik van een harmonium (religieuze associatie) en van de Mongoolse boventonenzangers (exotisch effect, ook al spelen ze als een soort verbaasde toeschouwers een rol in het verhaal) zijn daardoor niet meer dan extra kleurelementjes die verder weinig betekenis hebben.

Vooral voor de pauze, in de eerste drie actes, ligt ondanks de overdaad aan klank en beeld de verveling op de loer. De scènes zijn steeds iets te lang. In het (wat kortere) tweede deel gaat het beter. Daar is de visuele, muzikale en soms ook literaire vaart in een nog grotere versnelling gezet. En met succes. De voorstelling wordt tot een groots spektakel, met de zwoele, cabareteske bossanova, waarin mevrouw Noach haar echtgenoot probeert te verleiden - maar alleen succes lijkt te hebben bij de tot dan toe neutrale verteller - als een hoogtepunt. Ook al weet ze de zondvloed daarmee niet te voorkomen.