De wereld aan het woord

Christopher Silvester (red): The Penguin Book of Interviews. An anthology from 1859 to the present day 500 blz., Penguin 1993, ƒ 57,40

Het interview is vaker dood verklaard dan de roman, en dat wil wat zeggen. Als vorm geïntroduceerd door de Amerikaanse massakranten in het midden van de vorige eeuw, en destijds al als new journalism bestempeld, heeft het vraaggesprek in onze tijd de status van gemakzuchtige journalistiek verworven: even een celebrity bellen. De komst van de vele talkshows heeft het genre daarbij geen goed gedaan. Vrijblijvend gebabbel, links en rechts een kwinkslag, zoals geleerd bij de cursus mediatraining - het is op de televisie aan de orde van de dag.

Dat het interview op zijn beste momenten toch ook een interessante vorm van orale geschiedschrijving kan zijn, blijkt uit de omvangrijke bloemlezing The Penguin book of interviews, an anthology from 1859 to the present day. Het is een curieus naslagwerk waarin nooit eerder verzamelde vraaggesprekken met mythische figuren staan afgedrukt, onder wie Karl Marx, Mark Twain, Emile Zola, Paul Kruger, Leo Tolstoj, Sigmund Freud, Adolf Hitler, Benito Mussolini, Joseph Stalin, Mao Tse-toeng, John F. Kennedy, Al Capone, Mahatma Gandhi, Greta Garbo en Jimmy Hoffa.

In ruim zeshonderd pagina's onderneemt de lezer een voettocht door de moderne geschiedenis en omdat we in de meeste gevallen de afloop van de destijds zo stellig geuite gedachten kennen, werpt het tegelijkertijd een scherp licht op de onmogelijkheden van het genre: een interviewer, hoe capabel ook, komt maar zelden achter de gehele waarheid. “Wij, als bolsjewieken, zijn zacht en gemoedelijk voor onze vijanden”, zegt bijvoorbeeld Joseph Stalin in 1934 nog doodleuk. Voor het boek geeft dat niets, want die beperkingen maken de bloemlezing nu juist zo intrigerend. Uiteindelijk is niets zo informatief als het zelfbeeld dat door de ondervraagden zonder gêne wordt gepresenteerd. Wie wil er niet lezen hoe Al Capone zich als echte vrije jongen in de eerste plaats als heuse patriot afschildert?

Wat het boek ook laat zien is hoe er door het journaille de afgelopen 130 jaar is geworsteld om het vraaggesprek in een appetijtelijke vorm te gieten. Talloos zijn de overpeinzingen vooraf, de literaire snedigheden en de uitputtende beschrijvingen over hoe moeilijk het was deze en gene te pakken te krijgen. Het was Joseph Pulitzer zelf, misschien wel de beroemdste Amerikaanse journalist ooit, die deze quasi-literaire aanpak reeds aan het eind van de vorige eeuw per decreet op zijn krant the New York World had afgekondigd: “Laten onze interviewers er acht op slaan dat het belang van een levendige schets van de ondervraagde boven het interview uitstijgt: zijn huiselijke omgeving, zijn vrouw, zijn kinderen, zijn huisdieren, het moet allemaal genoteerd. Het zijn de dingen waarbij de lezer zich kan inleven, meer dan de meest imponerende gedachten, doelen of uitspraken.”

Die wet werd tot in de jaren zestig strikt nageleefd, voordat men bij Playboy en later Rolling Stone de knoop doorhakte: wèg met de omvangrijke sfeerbeschrijvingen. Een zakelijk vraag-antwoord kwam ervoor in de plaats, maar door de vele navolgers is ook die vorm weer tot een cliché verworden.

Intimiteit

Omdat er in iedere journalist nu eenmaal een amateur-psychoanalyticus schuilt, en het interview binnen de journalistiek als sterkste de suggestie van intimiteit suggereert (en het altijd goed doet op de cover), zal het genre nooit verdwijnen. En daar komt nog iets bij. Veel journalisten vergeten dat een interview met Woody Allen de reporter nog niet tot een Woody Allen maakt. Een nurkse Ernest Hemingway, zelf journalist geweest, schreeuwt in Havana uit: “Wat moet je? Waarom denk je dat ik in godsnaam hier ben gaan wonen? Om ver weg te kunnen zijn van tuig zoals jullie!”

Hij was natuurlijk een uitzondering. In tijden van verkiezingen, of ter promotie van een nieuw boek, film of cd worden de redacties overstelpt door marketingstrategen en pr-bureautjes die allemaal exclusieve ontmoetingen in de aanbieding hebben. Het record staat, naast Hans van Mierlo, op naam van popster Madonna. Bij de première van haar deels zelf gefinancierde documentaire In bed with... wist ze de hele Europese pers naar Parijs te lokken, onder het mom van exclusiviteit. De week erop sierde ze de cover van meer dan honderd bladen - die allemaal tegelijk en trots de vermeende scoop publiceerden. Omdat ze wisten dat Madonna de rest van het jaar structureel onbereikbaar is, werden de periodieken slachtoffer van hun eigen zucht naar scoren.

Aan de neonbuis-romantiek van de journalistiek doen die calamiteiten echter niets af. Zo was voor de befaamde Italiaanse journaliste Oriana Fallaci, uitvindster van het 'vechtgesprek' met showbizz-helden en wereldleiders, het interview niets minder dan een coïtus, hoewel ze in de uitgebreide inleiding van de bloemlezing ook geciteerd wordt met: “Interviews zijn veel makkelijker dan schrijven. Je plukt de bloemen van je gesprekspartner en presenteert het vervolgens als je eigen boeket.”

Dat die ijdelheid iets zou zijn van ons multimediatijdperk is een misverstand. In een van de geestigste interviews die erin is opgenomen, verhaalt de befaamde Britse journalist Sir William Howard Russell, correspondent van The Times, hoe zijn eigen snoeverij hem parten speelde. In 1847 werd hij uitgezonden om verslag te doen van de geruchtmakende Ierse state trials tegen O'Connell, de actievoerder die ijverde voor het opnemen van katholieken in het parlement. Behalve de Times was ook de Morning Herald uitgerukt om verslag te doen. De twee concurrenten hadden in Dublin een koets klaarstaan, een boot om terug te varen naar Engeland, waar een speciale trein naar Londen in afwachting verkeerde. De rechtszaak duurde weken. Juist op het moment - de concurrentie was al aan de borrel - dat Sir Russell overwoog ook maar naar een restaurant te gaan, kwam zijn boy, op luide toon vertellen dat de jury in de rechtszaal was teruggekeerd. Ze gingen uitspraak doen! Nadat de verslaggever zich vergewist had van de ontwikkelingen, kneep hij er als een dief in de nacht tuusenuit, tevreden constaterend dat de boot van de Herald nog in de haven lag te dobberen. De volgende ochtend verscheen hij ter redactie, moe, maar voldaan. Voor de deur stond een man in hemdsmouwen, ongetwijfeld een zetter. “Goed dat u veilig terug bent, Sir”, begroette deze de verslaggever hartelijk. “En, is O'Connell schuldig?” Fideel klopte Sir Russell zijn bewonderaar op de schouder en sprak: “Jazeker, mijn vriend! Schuldig als de hel.” Tevreden zette de verslaggever zich achter zijn schrijfmachine, om de volgende ochtend te ontdekken dat ook de Herald de primeur groot op de voorpagina bracht. De zetter bleek een listig vermomd lid van de concurrentie.