De taal is een zaak van heel het volk

Willem van Blijderveen: IJsland 248 blz., uitg. J.H. Gottmer, Haarlem (Dominicus reeks); geïll., ƒ 29,90

Hasse & Barbro M. Schröder: Iceland. More than Sagas 272 blz., uitg. Schröders Ord & Bildbyra AB, Uppsala; geïll.; ISBN 91-971485-1-2

Op IJsland is de taal een heiligdom. IJslanders houden hartstochtelijk van hun duizend jaar oude taal, beschermen haar met puristische toewijding en lopen massaal uit om de aankomst van een uit ballingschap teruggekeerd taaldocument te vieren. En een nationale taalcommissie waakt wekelijks over de zuiverheid.

Ongeveer vijftigduizend IJslanders, bijna een vijfde deel van de totale bevolking, herdachten gisteren dat vijftig jaar geleden, op 17 juni 1944, de republiek werd uitgeroepen. Zoals destijds vond de plechtigheid plaats aan de voet van de Lögberg (Wetsberg) in Thingvellir, een wijde vlakte tussen een meer en een lange, niet erg hoge rotswand, enkele tientallen kilometers van Reykjavik. Behalve door de gekroonde hoofden uit Denemarken (de voormalige kolonisator), Noorwegen en Zweden alsmede de president van Finland werd de bijeenkomst bijgewoond door vertegenwoordigers van de parlementen van de Far Oer-eilanden en van het Isle of Man die met de IJslandse volksvertegenwoordiging, de Althing, de eer van de oudste parlementen van Europa delen.

In 1930, het land telde toen ongeveer 170.000 inwoners, waren op dezelfde junidag in Thingvellir een kleine dertigduizend IJslanders bijeen om het duizendjarig bestaan van de Althing te vieren. Eregast was toen de Deense koning, destijds nog het staatshoofd van de voormalige kolonie die sinds 1904 'home rule' kende, maar sinds 1918 in een personele unie met Denemarken was verbonden. Onder de aanwezigen bevond zich een Nederlandse journalist, dr. M. van Blankenstein van de Nieuwe Rotterdamsche Courant, die twee weken later in zijn uitvoerig verslag van de gebeurtenis het tactvolle optreden van gastheren en koning prees.

Tijdens de 'donkere eeuwen' van de Deense overheersing was de Althing niet meer bijeen geweest. Van Blankenstein: “Dus mocht de koning vooral geen Deens spreken in het openbaar, daar zijn eigenschap van koning van Denemarken geheel op de achtergrond moest blijven. IJslands is hij, uiteraard, slechts zeer gebrekkig machtig. Hij bepaalde zich telkens tot zeer korte toespraken, van enige volzinnen, maar daarmede nam men ook ten volle genoegen. De IJslandse eerste minister opende de feesten met een rede die een meesterstuk van diplomatie was: geen IJslander had aanstoot kunnen nemen aan een woord dat een concessie was aan meer dan beleefde gevoelens.”

De NRC-verslaggever vertelt ook hoe de volgende dag, bij de 'Lögrétta', een gereconstrueerde Althing-vergadering uit 930, houten stoeltjes voor het koninklijk paar waren neergezet terwijl alle anderen in het gras zaten. “De koning begon echter met zich eveneens plat neer te zetten in het gras en zelf met zijn handen zijn overschoenen uit te trekken. Dit duurde enige tijd: niemand bood hulp aan. (...) Men is nu eenmaal altijd zeer democratisch geweest in zijn vormen op IJsland, zelfs toen het een aristocratische, oligarchische republiek was.”

Na afloop van de feestelijkheden wegens het millennium van de Althing maakte Van Blankenstein een reis over het eiland waarbij hij gastvrij bijna twee weken lang de beschikking kreeg over de auto van de minister-president. Van zijn ervaringen, bij de viering van het millennium van de Althing en tijdens zijn reis, deed hij verslag in maar liefst 32 lange artikelen, deels in de vorm van een feuilleton met de eenvoudige titel 'Reizen op IJsland'. Zijn beschouwingen over 's lands historie, de cultuur en zijn reisverslag met tal van opmerkelijke persoonlijke observaties (“Helderheid en kleur en verzorgdheid en een frisse levensappetijt straalt eruit van de ten feest opgetrokken IJslandse meisjes en vrouwen”) vormden tesamen de eerste uitvoerige publikatie in Nederland over IJsland in deze eeuw.

Vijf jaar later verscheen pas het eerste 'complete' Nederlandse boek over het geologisch jongste land van Europa. 'IJsland, oud en nieuw' van de Utrechtse hoogleraar in oud-Germaanse talen tevens keltoloog prof. dr. A.G. van Hamel, was een proeve van klassieke land- en volkenkunde, en uiteraard geïnspireerd door belangstelling voor de oud-Germaanse cultuur die destijds in Nederland nog levendig was. Van Hamels boek was lang onmisbaar voor de weinige Nederlandse reizigers naar IJsland, onder wie de bij oudere generaties bekende vogelkenner Jan P. Strijbos. Op een lange tocht langs de IJslandse vogelkolonies werd Strijbos vergezeld door Bert Garthoff, die later naam maakte met zijn VARA-radioprogramma Weer of geen weer over natuur en natuurbescherming. Garthoff voorzag Strijbos' IJslandse reisverslag 'In het zog van de Raven-Flóki' (1939) van een inleiding waarin hij flink bij Van Hamel had geleend. Na de oorlog, toen de wereld voor reizigers langzaam open ging, verschenen nog twee verdienstelijke 'land- en volkenkunde'-boeken over IJsland, in 1959 van de hand van H.G. van Maurik ('IJsland in de Golfstroom') en in 1975 van J.H. Kruizinga ('IJsland of de fluitketel van Europa').

In de 'global village' van nu, waar vulkanen, regenwouden en Center Parcs op nauwelijks meer of minder dan een dag vliegen van Schiphol zijn verwijderd, zijn dergelijke populaire 'inleidingen' in de geschiedenis en de cultuur van een land zeldzaam geworden. Ze zijn vervangen door de subjectieve en autobiografische reisliteratuur van Cees Nooteboom of Paul Theroux. Over IJsland zijn slechts reisgidsen verkrijgbaar die, zoals de recente herziene druk van 'IJsland' in de Dominicusreeks, maar enkele bladzijden wijden aan geschiedenis en cultuur en zich verder beperken tot praktische gegevens voor alle soorten reizigers. Het door verscheidene, ook IJslandse auteurs samengestelde oorspronkelijk Zweedse, in het Engels vertaalde 'Iceland, more than Sagas' heeft meer diepgang, vooral door enkele uitstekende hoofdstukken over cultuur, in het bijzonder de middeleeuwse saga's, IJslands unieke bijdrage aan de wereldliteratuur.

In de ontzagwekkende natuur en de grote eenzaamheid van IJsland - bijna drie keer zo groot is als Nederland maar met slechts 260.000 inwoners - voelt de 'gewone toerist' zich vaak verloren. In dit land aan de rand van de wereld lijkt het verleden verdwenen. De reiziger kan er geen gebouwen of kerken bewonderen die ouder zijn dan een eeuw. Oude kunstschatten of zelfs kerkelijke oudheden zijn zeer zeldzaam. Een enkele primitieve plaggenboerderij herinnert als museumpje aan het bitter armoedige bestaan van de IJslanders dat eeuwenlang werd geteisterd door natuurrampen zoals vulkaanuitbarstingen. De eruptie van 1783 scheurde het land over een lengte van 300 kilometer open. De oudste 'installatie' die nog bezichtigd kan worden, is waarschijnlijk het zwembadje in Reykholt van Snorri Sturluson (1179-1241), dichter en auteur van enkele beroemde saga's, zoals de 'Heimskringla'. Snorri kwam daarin ook aan zijn eind, wat de bezienswaardigheid ervan uiteraard vergroot.

De enige levende, maar dan ook uitzonderlijk krachtige band met de verleden tijd in Ijsland is de meer dan duizend jaar oude taal en die komt in reisgidsen om praktische redenen nauwelijks aan de orde. Het IJslands dat wel als de oudste levende taal ter wereld wordt beschouwd, is in feite Oud-Noors. Het is de taal van van de naar schatting 70.000 Vikingen (en hun voornamelijk Ierse slaven) die zich tussen 870 en 930 vooral vanuit Noorwegen naar IJsland emigreerden en daar de 'aristocratische en olichargische republiek' vormden waaraan Van Blankenstein refereerde. Als gevolg van het eeuwenlange isolement, waaraan de Deense koningen het hunne hebben bijgedragen, is deze taal sinds de stichting van de natie nauwelijks veranderd. Zo kunnen de IJslanders, zij het met enige inspanning, nog hun beroemde saga's lezen (het woord betekent 'ware vertelling' - er zijn ook 'lögasaga', leugenvertellingen).

Meer dan in wellicht enig ander land bepaalt de taal in IJsland de identiteit van de natie en van de cultuur. Maar het IJslands is een conservatieve en archaïsche taal, die voor Noren en andere Scandinaviërs, wier talen radicaal geëvolueerd zijn, evenmin is te begrijpen als elke andere vreemdeling die slechts met een reisgids aankomt. Alleen de inwoners van de Far Oer-eilanden, eveneens afstammeling van Noorse kolonisten en eeuwenlang vrijwel even geïsoleerd als de IJslanders, spreken een vorm van het Oud-Noors die sterk met het IJslands verwant is. De unieke band met het verleden sluit dus de toerist die de taal niet machtig is buiten, want het IJslands is voor buitenstaanders ontoegankelijk.

Als archaïsche taal wordt het IJslands gekenmerkt door een hoogst gecompliceerde grammatica (voorbeeld: er zijn zeven verschillende soorten sterke en vier soorten zwakke werkwoorden), die buiten beschouwing kan blijven. Maar de grote rijkdom aan verbuigingsvormen en het gebruik van althans voor ons ongewone samenstellingen geven de taal een zeer plastisch karakter. Over het weer kan men zeggen - citaat uit een boek - 'Het ziet er nu eerder naar uit dagbeterend te worden, en op de heuvelrug (...) is het vorstharder en windhoger'. Dit is gewone dagelijkse taal en veel IJslanders vinden modern Deens (nog altijd als tweede taal op school verplicht) of Engels of Nederlands maar armoedig.

De symbolisch sterkste band met het verleden bestaat uit de uitdrukkingen die vaak stammen uit de tijd van de saga's (en ook nog lang nadien) toen de IJslanders ruwe vechtersbazen waren en bloedwraak tot eindeloze vetes leidde, zoals bijv. rond 1280 door een anonieme auteur is beschreven in 'Njall's saga', wellicht de beroemdste van deze vertellingen (als Penguin Classic verkrijgbaar). Zo is de gewone zakenman gehouden “zijn strijdlust aan te hitsen” (te concurreren) en de afgevaardigde die zich tijdens een debat in de Althing stevig opwindt “wordt in assen-kracht gevoerd”.

Ook citaten uit saga's leven in het dagelijks taalgebruik voort. Toen Njall, een wijze en bij uitzondering humane 'chieftain' die niettemin tragisch aan zijn eind kwam, op de Althing wegens een moord de gebruikelijke schadevergoeding (ter waarde van 64 melkkoeien) met zijn vijanden had getroffen, eiste zijn vrouw na zijn thuiskomst toch bloedwraak. “Koud is de raad van vrouwen”, zei Njall toen en nog zeggen IJslanders dat hem na als het hun uitkomt. Wie het een of ander zorgvuldig wil onderzoeken “gaat naar het notenbosje”, zoals de Noorse jonkvrouw Gudrun in Njall's saga die daar de man ontmoette die ze heimelijk beminde - een curieuze zegswijze in een land waar vrijwel geen bomen en zeker geen notebomen groeien.

Een andere bekende uitdrukking dateert uit 1550 toen de laatste rooms-katholieke bisschop van IJsland Jón Arason werd onthoofd. Vlak voor hij voor de bijl ging, kreeg Jón bijstand van een geestelijke, Svein genaamd, die hem trachtte te troosten met de woorden “Vrees niet, er is een leven na dit leven”. Jón keerde zich meewarig tot de man en zei, met het geringschattend verkleinwoord: “Dat weet ik, Sveinki”. De IJslander die een al te voor de hand liggende mededeling doet, krijgt dit nog altijd als repliek.

De middeleeuwse taal bepaalt in hoge mate de identiteit van de IJslanders ook al kijken ze tijdens de donkere wintermaanden nog meer video dan andere Europeanen. Ze houden haar trots van vreemde smetten vrij. De Deense invloeden werden vorige eeuw en begin deze eeuw al weggezuiverd, de nieuwe Engelse invloed wordt zoveel mogelijk beperkt. Behalve uit trots op dit enige erfgoed uit de dagen van de stichting van de natie, gebeurt dat ook om praktische redenen. Vreemde woorden worden soms geassimileerd, mits ze kunnen worden verbogen. Maar een woord als computer is grammaticaal niet bruikbaar. Het zou als 'komputir' moeten worden geschreven om verbogen te kunnen worden zoals elk ander zelfstandig naamwoord. Het aantal verbuigingen kan hier tot dertien oplopen. Voor computer is een ander woord bedacht: tölva, een samenstelling van 'tölur' (getallen) en 'völva' (vrouw die toekomst voorspelt).

Dit purisme is een zaak van heel het volk. Een nationale taalcommissie bespreekt in wekelijkse uitzendingen voor de radio ('Utvarp') zulke problemen als 'hoe noemen we aids?'. Luisteraars doen suggesties, de commissie doet een keuze en lanceert vervolgens een of twee of drie goed-IJslandse (nieuwe) woorden. Daarna moet in de dagelijkse praktijk blijken welk woord wint. Dat kan lang duren: het al veertig jaar in zwang zijnde 'stereo' wordt nu toch verdrongen door 'vidoma', net zoals karburator (carburateur) het onderspit delft tegen 'blöndingar'. Ritzens zijn er niet op IJsland, wel de Vereniging van Ingenieurs, die al tientallen jaren bezig is om Engelse en anderstalige vaktermen in IJslands te 'vertalen'. Zo is er sinds 1982 een computerwoordenboek ('Tölvuordasafn') met de IJslandse equivalenten voor de Engelse vaktermen.

Meer dan elders lopen de emoties hoog op in de vrijwel permanente debatten over de 'juiste taal'. Toen de Althing in 1974 moest beslissen over het voorstel de weinig voorkomende letter z af te schaffen (het IJslands heeft tenslotte al 32 lettertekens), hield een afgevaardigde die tegen was, een rede van acht uur om het besluit te blokkeren, tevergeefs overigens. 's Lands belangrijkste (conservatieve) krant Morgunbladid handhaaft niettemin tot op de dag van vandaag de z, zoals het voor 'voetbal' ook de voorkeur geeft aan het goed-IJslandse 'knattspyrna' in plaats van het eenvoudiger 'fótbalti'.

Toen in 1971 twee in kalfsbloed op perkament geschreven boeken uit de saga-tijd door Denemarken werden teruggegeven, liep vrijwel de gehele bevolking van Reykjavik (de scholen hadden vrij gekregen) uit naar de haven om het Deense oorlogsschip met de manuscripten te verwelkomen.

“Er is maar een ander land waar een vergelijkbare puristische taalpolitiek wordt gevoerd”, zegt Gylfi Th. Gíslason (77), emeritus professor economie, vijftien jaar minister van Economie en Onderwijs, 32 jaar lid van de Althing, componist, en een van de meest geachte persoonlijkheden van zijn land. “Israel volgde ons voorbeeld, nadat ik op een bijeenkomst van sociaal-democraten enkele jaren na de stichting van de joodse staat Ben Goerion had uitgelegd hoe wij te werk gingen. In Israel kwamen toen mensen uit alle delen van de wereld aan, die Hebreeuws moesten leren. Ik gaf Ben Goerion het voorbeeld van telefoon: wij kozen het woord 'simi' - 'draad' in de oude saga's. Ben Goerion stelde enthousiast een commissie in die de Bijbel moest bestuderen om Hebreeuwse woorden te bedenken”. De commissie bestaat nog steeds.

Gislason is niet bevreesd dat de taal van de kleine natie zal worden bedorven. “De jeugd heeft de neiging Engelse zinsconstructies te gebruiken. Voor een dergelijke versimpeling moeten we waken. Maar, zegt hij zelfverzekerd, “het IJslands zal overleven en zal niet worden bedorven”.