De markt van het gat

'Soms bereikt me uit dezelfde sector van de maatschappij ontzettend tegengestelde informatie en dan weet ik me opeens tamelijk geen raad meer. Vind je dat gek?'' vroeg de vrouw. Ze had haar voeten op het bankje tegenover haar gelegd, grote rose blote voeten met gelakte nagels op het dieprode pluche van de eersteklas coupe. Naar haar stem te oordelen was ze een jaar of vijfendertig.

“Absoluut! Kan ik volkomen inkomen. Ik zit er zelf ook vaak heel erg mee. Maar doe je er iets aan?” Een mannenstem, ongeveer zelfde leeftijd. De eigenaar had zijn voeten, in Reebocksneakers, ook op het bankje gelegd, keurig met de Volkskrant eronder.

Dat was alles wat ik er achter mijn krant van kon zien. Ze hadden geen geheimen voor me, spraken met het volume van moderne mensen die niets te vrezen hebben, in het idioom der vooruitstrevenden die het weleens met de paarse coalitie willen proberen. De vrouw leek me dichter bij Van Mierlo te zitten, de man eerder een kritische Bolkesteinvolger.

“Ja, dat wil ik natuurlijk wel, iets doen, maar die vraag komt altijd op als ik, hoe zal ik het zeggen, begrijp je wel.” Aan de beweging van haar tenen zag ik dat ze het er niet gemakkelijk mee had.

“Nou, je moet natuurlijk over een drempel heen, maar dat moet iedereen hoor. Iedereen heeft wel iets van die, ja, zeg maar: die huiver. Het blijft toch tamelijk een stap. Vind ik.” Zijn stem had de getemperde warmte die een man gebruikt als hij merkt dat het ogenblik nadert waarop hij een vrouw gaat bijstaan.

Ik moet bekennen dat ik barstte van nieuwsgierigheid. Maar ze gingen nog een poosje in deze trant door zonder de aap van mijn verlangen uit de mouw te laten komen. Het was bovendien een korte rit: in Bussum gingen ze eruit. Terwijl de vrouw haar schoenen aantrok, zei ze: “Het liefst zou ik willen, als ik daar lig, dat er iets aan me werd voorgelezen. Klein Duimpje. Of is dat gek?”

“Niets is gek als het zover is,” zei de man. “Maar door wie?”

“Het liefst door Paul van Vliet. Als die dan nog leeft tenminste. Al hoor ik het dan niet meer dan zal ik toch weten dat, hoe zal ik het zeggen, toch nog geweten hebben dat ik, ja, zeg maar, het nog zal hebben geweten.”

“Dat kost dan wel een bom duiten,” hoorde ik de man nog zeggen terwijl ze in de corridor verdwenen.

Plotseling begreep ik dat ze hadden gepraat over het onderwerp dat ik in mijn stukje van de vorige week heb behandeld - de opzienbarende reclame van een teraardebesteller die iemand op zijn affiches laat verzekeren: IK GA DOOD. Het leek toen me wat opdringerig om dit ongevraagd aan de tienduizenden passanten te laten weten. Intussen heb ik gemerkt dat er meer aan vastzit.

Op dezelfde zaterdag opende De Telegraaf met onthutsend nieuws: Janboel bij uitvaarten. Er is - ik citeer - “steeds vaker sprake van excessen”. Nabestaanden zijn getuige van “ordinaire vechtpartijen tussen uitvaartleiders om een lijk.” Gezonde honden en katten worden afgemaakt en gaan met baasje mee onder de grond. “Ziekenhuismedewerkers” (niet nader genoemd. Verpleegsters? Broeders? Artsen?) krijgen steekpenningen, zoals de taxichauffeurs die krijgen van de bordeelhouder als hij de buitenman op de bestemde plaats heeft gebracht. “Vaak voorkomend zijn het twee of drie keer in rekening brengen van koffie en grafstenen.” Na de dood is er meer koffie dan u denkt.

De Consumentenbond - ik volg nog altijd het verslag van De Telegraaf - heeft het vraagstuk onderzocht en de economische oorzaak ervan ontdekt. Door de vergrijzing is er een groeimarkt ontstaan. Helemaal hetzelfde is het niet maar toch doet het me een beetje denken aan de Hongerwinter toen er boeren waren die het gouden horloge van je grootvader wel voor een kilo aardappelen wilden ruilen.

Toen, of de duvel ermee speelde, werd me nog een andere kant van de zaak onthuld. In deze krant van 13 juni, op pagina acht, staat een verslag van Frits Groeneveld: “Het nieuwe doodgaan trekt volle zalen.” Ik kan het niet helpen, ik ben nog opgevoed in de vroegkapitalistische school die zegt dat je je nabestaanden het grootste plezier doet met een flinke erfenis. Maar er is ook een andere school die het taboe om de dood wil opheffen, eigentijdse rituelen wil ontwikkelen, natuurlijk in overeenstemming met de eigentijdse individualisering, maar toch taboedoorbrekend. In dit artikel wordt de heer David Elders geciteerd. Hij is de eerste van wie ik hoor dat hij zowel begrafenisondernemer als filosoof is, en wiens voor- èn achternaam tot nog meer contemplatie uitnodigen. Elders: “Bij een uitvaart is veel meer mogelijk dan de klant weet.”

Al lezend begon ik te vermoeden dat mijn reisgenote met de grote voeten dit embarras du choix en de daarmee samenhangende verleidingen en gevaren kortgeleden had ontdekt. Terwijl Paul van Vliet (zo stelde ik me haar gedachten voor) Klein Duimpje voorlas, was de teraardebesteller bezig drie maal zoveel cake en koffie in rekening te brengen. Ik kon me wel voorstellen dat ze bij dit vooruitzicht wat goede raad kon gebruiken.

Maar nu iets wat in kringen van lijkbezorgers en filosofen nog niet bekend is. De eigentijdsheid kent geen taboes, maakt nergens halt. Zo hoorde ik, alweer toevallig op de radio een rapsong over het nieuwe onderwerp. Voorzover ik het heb kunnen onthouden gaat die als volgt:

Hee man jij bent geweldig

Dat zie ik aan je sik

't Was weer raak voor je knaak

In je pocket zit poen

Dus pak nou die chick

Neem d'r mee voor een wip

Een rits en een rats

Na de joint zak patat

Jij gaat dood maar je weet

Hee man jij bent geweldig

Maak van die dood een feest

Maak de blits in je kist

Maak ze rijk met je lijk

De taboes die ik er nog op na houd, beletten me het vervolg in de krant te schrijven, maar ook zo is de essentie al gegeven.