De Gemeenschap was bedoeld om sterke staten te beteugelen

Kohl en Mitterrand streven naar een Europa onder Frans-Duitse leiding, maar zoals Paul Belien in de herinnering roept, het oorspronkelijke idee van de EEG was van een andere aard. Het federalisme waarvan Adenauer en Schuman bezield waren wortelde in de traditie van het middenrijk: de smalle strook die van Friesland tot Rome liep. Daar ontwikkelden zich betrekkelijk autonome republieken, die een federatie zagen als de beste garantie voor hun zelfstandigheid.

Om iets te begrijpen van het doel dat de stichters van de EEG voor ogen stond, en van de oorspronkelijke aard van deze supranationale instelling, moeten we terugkeren naar de Karolingische tijd. Bij het Verdrag van Verdun in 843 werd het oude rijk van Karel de Grote niet eenvoudig in tweeën gedeeld - een Westfrankisch koninkrijk voor Karel de Kale de eerste koning van Frankrijk, en een Oostfrankisch koninkrijk voor zijn broer Lodewijk de Duitser. Er was ook nog een derde broer, Lothar, en hij erfde de keizerskroon en het land dat tussen Frankrijk en Duitsland in lag, het koninkrijk Midden-Francië. Dit middenrijk werd naar hem Lotharii Regnum genoemd, in de volksmond Lothringen (Duits), Lorraine (Frans) of Lotharingen (Nederlands).

Lothars rijk omvatte alle landen die tussen het huidige Frankrijk en Duitsland in lagen (de drie Benelux-landen en Zwitserland), en voorts het oostelijk deel van Frankrijk (de Elzas, Lotharingen, Bourgondië en de Provence) een deel van het westen van Duitsland (Friesland, dat langs de Noordzeekust ligt, het gehele gebied ten westen van de Rijn en het oostelijk deel van het gebied rond Keulen) en ook de noordelijke helft van Italië.

Toen Lothars zoon in 875 kinderloos stierf, werd dit tussengebied verdeeld tussen Karel de Kale en Lodewijk de Duitser. Maar omdat deze streken aan de periferie van hun eigenlijke grondgebied lagen, bleven de pogingen van de koningen van Frankrijk en Duitsland om ze onder hun gezag te brengen zonder resulaat. Het gevolg was dat gedurende de middeleeuwen, en in sommige gevallen tot in de 18de eeuw of zelfs tot op heden, de gebieden in het oude middendeel van Karel de Grote's keizerrijk bestonden uit praktisch autonome boerenrepublieken (zoals Zwitserland), onafhankelijke, door burgers bestuurde provincies (zoals Nederland en het stroomgebied van de Rijn) of stadstaten (zoals die in Noord-Italië).

Doordat ze autonoom waren en nauwelijks werden lastiggevallen door hebzuchtige vorsten, hun belastinginners of door bemoeizuchtige ambtenaren, werden deze gebiedsdelen zeer welvarend. Het kapitalisme is daar ontstaan. De as die liep van Amsterdam in het noorden tot aan Siena in het zuiden ontwikkelde zich tot de economische ruggegraat van Europa. Ze is dat ook nu nog grotendeels en de bevolking ondervindt er nog steeds de invloed van eeuwen onafhankelijkheid en autonomie zonder vorstelijke bemoeienis.

In de loop van de geschiedenis begonnen deze kleine, onafhankelijke staatjes in sommige delen van het middengebied (namelijk de Nederlanden in de Bourgondische tijd en ten tijde van de Republiek, en Zwitserland) zich aaneen te sluiten tot federaties waarin de deelgebieden en de individuele burgers een grote mate van autonomie behielden. Het bestaan van een grotere federatie garandeerde niet alleen een betere bescherming tegen vijanden van buiten, maar bood op het niveau van de individuele republiek, provincie of stad ook bescherming tegen machtsmisbruik door regeerders, terwijl de burgers dezelfde vrijheid behielden als in de andere lidstaten van de federatie.

In deze gebieden werden verfijnde politieke theorieën geconcipieerd die ervoor zorgden dat de vorst of de regering niet het hoogste gezag belichaamde en zich aan de wet te houden had. Zowel Zwitserland (sinds de 13de eeuw) als de Nederlanden (van de 16de tot de 18de eeuw) waren republieken. De Bourgondische Nederlanden hadden een vorst, maar wanneer die vorst - de hertog van Bourgondië - belasting wilde heffen, moest hij de Zeventien Provinciën van de federatie (en in de welvarendste provinciën, zoals Vlaanderen en Brabant, zelfs de afzonderlijke steden) om toestemming vragen.

Zowel Zwitserland als de Bourgondische Nederlanden waren meertalige federaties, en veel van de aangesloten provinciën waren zelf meertalig. Omdat noch de federale regering noch de plaatselijke overheden over voldoende macht beschikten om een cultureel of linguïstisch integratiebeleid te voeren, ontstonden hierdoor nooit problemen. De taalstrijd in België (vroeger het zuidelijk deel van de Bourgondische Nederlanden) is pas ontbrand in de negentiende eeuw, toen de oude, autonome provinciën waren afgeschaft en het land tot een gecentraliseerde staat was gemaakt die streefde naar uniformiteit.

Het vroegere Karolingische Midden-Francië werd niet alleen de bakermat van het kapitalisme, maar ook die van de beperkte regeringsmacht. Er kwam een gedecentraliseerde politieke cultuur tot ontwikkeling waaruit dezelfde algemene principes voorsproten als uit de anti-absolutistische Britse politieke traditie. Anders dan in het Engelse common law-stelsel echter, wortelden de politieke stelsels hier in de traditie van het (Romeinse) civiele recht en aanvaardden ze schriftelijke wetten en constituties. Zo werd het 'federalisme' geboren - een term die bijna synoniem is met grondwettelijk beperkte overheidsmacht, zowel op plaatselijk als op het hoogste federale niveau. Het federalisme in deze zin werd beschouwd als een van onder af opgebouwd, en niet een van boven af opgelegd stelsel. Dat is ook de werkelijke inhoud van het begrip subsidiariteit: het delegeren van de macht aan het laagste bestuursniveau dat een redelijke civiele orde kan garanderen - en in veel gevallen is dat het niveau van de individuele burger.

Veel kapitalistische ideeën zijn via de Nederlanden in Engeland doorgedrongen. In de middeleeuwen waren er contacten op uitgebreide schaal tussen Engeland en Vlaanderen, en later tussen Engeland en Holland. Bernard Mandeville, de schrijver van De fabel der bijen, was een Nederlander die zich in Londen had gevestigd. Via Nieuw Nederland, de kolonie die door de Republiek der Verenigde Nederlanden was gesticht aan de Hudsonrovier, schoten de federalistische ideeën ook wortel in Amerika, om later te worden geformuleerd in de Amerikaanse grondwet, die als het ware een fusie vormt tussen de beide tradities van beperkte overheidsmacht: het Engelse common law en de federale traditie ontstaan in de landen van het voormalig Karolingisch middenrijk.

In de moderne tijd slaagden absolutistische alleenheersers er langzamerhand in de meeste gedeelten van het oude Midden-Frankische rijk te veroveren. Haast overal werden centralistische nationale staten gevestigd, die van bovenaf werden bestuurd. De koningen van Frankrijk en Pruisen wisten elk hun deel van de Rijnoevers te onderwerpen. De Franse Revolutie maakte in een klap een eind aan alle bestaande autonome regeringsvormen, en na de val van Napoleon keerde alleen Zwitserland terug tot zijn oude constitutionele orde. Overal elders zien we het tijdperk van de gecentraliseerde staat beginnen, die zijn macht steeds verder uitbreidt en zichzelf legitimeert door verzorgingsstelsels op te zetten die de burger van de wieg tot het graf begeleiden. Her en der echter, zoals in Vlaanderen en Lombardije, leeft de herinnering aan de oude, vrije, federatieve autonomie nog voort, en genieten federalistische bewegingen nog brede steun onder de bevolking. Het is geen toeval dat de roep om regionale autonomie hand in hand gaat met de roep om een liberalere economie en het recht van het individu om voor zichzelf te zorgen.

Evenmin toevallig is het dat vrijwel al degenen die aan de wieg van de EEG hebben gestaan, afkomstig waren uit het oude Middel-Francië. Dat geldt zelfs voor Schuman en Adenauer. Schuman was een Luxemburger van geboorte, maar had zich in zijn jonge jaren gevestigd in het aangrenzende Lotharingen, een door Frankrijk en Duitsland betwist gebied dat in 1919 van Duitsland naar Frankrijk overging. Adenauer beschouwde zichzelf allereerst als Rijnlander, zozeer zelfs dat hij ooit heeft gespeeld met de separatistische gedachte een van Duitsland onafhanklijke Rijn-republiek te stichten. De EEG is ontstaan niet als een gezamenlijk initiatief van Frankrijk, de centralistische nationale staat die was voortgekomen uit het Westfrankische rijk, en Duitsland, zijn Oostfrankische tegenhanger, die zich eendrachtig toelegden op de onderwerping van de Europese burgers na mislukte pogingen van elk om zelf een verenigd Europa onder eigen gezag te vestigen. Neen, het is ontstaan als een Middelfrankisch initiatief, bedoeld om zowel de Franse als de Duitse nationale ambities te beteugelen, en om alle tendensen in de richting van staats-absolutisme de kop in te drukken.

In hoge mate gevormd als ze waren door hun herkomst, de kapitalistische, Middelfrankische burgergemeenschap, wisten de stichters van de EEG instinctief hoe ze te werk moesten gaan om riskante ambities van staten te neutraliseren en vrijheid, vrede en welvaart te garanderen: door middel van economische liberalisatie.