De Bosnische hel

Cheryl Benard, Edit Schlaffer: Dicht bij ons bed. De gruwelijke oorlog in Bosnië en de apathie van het Westen 208 blz., Ambo 1994, vert. Ad.J. Koekkoek (Vor unseren Augen, Heyne Verlag 1993), ƒ 34,90

Roy Gutman: A Witness to Genocide 180 blz., Maxwell MacMillan 1993, ƒ 31,60 (pbk)

Er zijn het afgelopen jaar veel boeken over de oorlog in Bosnië verschenen, boeken over de achtergronden van het conflict, over de voorgeschiedenis, de toedracht, boeken met analyses, boeken met getuigenverklaringen, boeken vol leed en dood. De meeste van die boeken gaan over de achterkant van het conflict - de achtergronden - of over de buitenkant ervan - de feiten. Dicht bij ons bed. De gruwelijke oorlog in Bosnië en de apathie van het Westen van de Weense sociologen Cheryl Benard en Edit Schlaffer (de lelijkste ondertitel in de Bosnië-literatuur, en dat voor een boek dat in het Duits eenvoudiger en beter Vor unseren Augen heet) gaat over de binnenkant van de oorlog: over het waarom van de gruwelen, over wat ze - niet fysiek maar psychisch - teweegbrengen bij de slachtoffers, over de motieven van de daders, en over de vraag waarom 'wij' in ons fatsoenlijke, afzijdige Westen er niets aan hebben gedaan. Benard en Schlaffer verdiepen zich, onder aanhaling van de feiten, in de psychologie van slachtoffer, beul èn passief bystander.

Sommige van die eerder verschenen boeken zijn aangrijpend door de details van wat in Bosnië mensen mensen aandoen. Maar geen van die boeken is zo aangrijpend als Dicht bij ons bed, niet omdat er zoveel gruwelen in worden beschreven (al komen die er wel in voor), maar omdat Benard en Schlaffer een paar lagen dieper graven: ze staan stil bij de vraag hoe die gruwelen konden worden gepleegd en wat ze aanrichtten.

Dichtbij ons bed kan heel goed als aanvulling worden gelezen op A Witness to Genocide van Roy Gutman, de Newsday-verslaggever die voor zijn Bosnische reportages de Pulitzer-prijs kreeg. Gutman is de chroniqueur van de oorlogsmisdaden in Bosnië: hij was een van de eerste journalisten die doordrong tot in de Servische detentiekampen en die de martelingen, de etnische zuiveringen en de excessen in de kampen in Bosnië in kaart heeft gebracht door direct met betrokkenen te praten. Hij doet dat in A Witness to Genocide gewetensvol en nauwkeurig: zijn reportages zijn afstandelijk en zakelijk opgeschreven en Gutman maakt bovendien nauwkeurig onderscheid tussen wat hij zelf heeft gezien en wat hij, zonder mogelijkheid het te verifiëren, van horen zeggen heeft.

Gutman maakt de lezer behoorlijk aan het schrikken als hij aan zijn 180 pagina's lange opsomming van gruwelen begint. Maar na verloop van tijd gaat die eindeloze opsomming van wreedheden de lezer vervelen: ze zeggen hem niets meer. Wat Benard en Schlaffer doen is veel ingrijpender: ze ontdoen die gruwelen van hun onvoorstelbaarheid, ze halen ze dichterbij, maken ze menselijk, persoonlijk en invoelbaar; dat is voor de lezer veel schokkender en pijnlijker dan wat hij in Gutmans boek aantreft, hoe verdienstelijk dat ook is. A Witness to Genocide genereert afschuw, Dicht bij ons bed zet voortdurend aan het denken. A Witness to Genocide is aangrijpend, maar Dicht bij ons bed is veel meer: het is onverdraaglijk.

Verkrachtingen

Gevechtszone

Exclusiviteit

In het eerste deel van hun boek onderzoeken Benard en Schlaffer de 'oorlog tegen de vrouwen' in Bosnië: de massale verkrachtingen. Bij ondervragingen van de slachtoffers vallen hun enkele bijzonderheden op. De eerste is dat veel vrouwen de verkrachting niet primair als een seksuele gebeurtenis ervaren, maar als een oorlogsgebeurtenis temidden van veel andere: ze hebben meegemaakt hoe hun dorp werd belegerd, hoe de Serviërs kwamen, hoe hun buurman werd vermoord, hoe hun man werd meegenomen, hoe hun huis werd geplunderd en in brand werd gestoken, hoe ze al hun bezittingen kwijtraakten, hoe ze op de vlucht werden gedreven - en ja, ze waren ook nog verkracht. Die verkrachting was één afschuwelijke gebeurtenis in een hele reeks die alle even traumatisch waren. Dat geeft de slachtoffers, zo betogen Benard en Schlaffer, goede kansen bij de verwerking van de verkrachting zelf: de seksuele component is secundair omdat het ging om een bijverschijnsel van roof, moord en oorlog.

De tweede bijzonderheid: de gangbare lezing, als zouden verkrachtingen voor moslim-vrouwen in Bosnië nog erger zijn dan voor Servische of Kroatische vrouwen gaat niet op. Volgens die lezing worden slachtoffers van verkrachtingen in de moslim-cultuur later nòg eens getroffen omdat de familie en de omgeving van het slachtoffer de ontering niet accepteren en het slachtoffer uitsluiten. Volgens Benard en Schlaffer - die in Pakistan met verkrachte Afghaanse vrouwen hebben gewerkt - geldt dat niet in Bosnië, omdat de moslim-cultuur daar, anders dan in het Midden-Oosten, niet vrouwvijandig is. Waar voor verkrachte Afghaanse vrouwen het begrip schande een grote en vereenzamende rol speelde, deed het dat voor verkrachte Bosnische vrouwen niet: “Het probleem is niet dat vrouwen door hun familie worden verstoten, maar dat veel families wanhopig hun weggevoerde vrouwelijke leden zoeken.” De grootste schade, aldus Benard en Schlaffer, is het verlies van normaliteit: “Niet hun eer hebben ze verloren, maar hun vertrouwen dat de meeste mensen zich relatief humaan zullen gedragen.” De slachtoffers van de verkrachtingen straalden ook geen schaamte uit, maar voor alles woede.

De confrontatie met de slachtoffers gaf overigens Benard en Schlaffer zelf “een afschuwelijk gevoel van nabijheid”. “De vrouwen met wie we spraken waren als wij; nog kort geleden hadden ze een leven geleid dat niet anders was verlopen dan dat van ons. Ze hadden in een eengezinswoning geleefd, waarvoor hun auto geparkeerd stond. Ze waren verpleegster, secretaresse, boekhoudster, verkoopster geweest. Hun kinderen zagen eruit als onze kinderen en kenden hetzelfde speelgoed. Een urbane Europese bevolking werd hier vertrapt, vernietigd, verdreven, en de Europese buren haalden daarover alleen maar spijtig de schouders op.”

De vraag is waar al die haat in Bosnië vandaan komt. De (vaak Servische) mannen die burgers van de tegenpartij hebben gemarteld, verdreven en vermoord, zijn lang niet allemaal psychopaten. Ze zijn in meerderheid gewone burgers met vrouw en kinderen. Hoe, schrijven Benard en Schlaffer, “kan het beeld dat we ons hoopvol van de beschaving maken, veranderen in een nachtmerrie: de aanblik van kinderen roept geen beschermende instincten meer wakker, maar doet het idee opkomen hen de vingers af te snijden, een oude man die tijdens de verdrijving struikelt, krijgt geen hulp maar een kogel in het hoofd en stervend nog een schop in zijn maag, en het geslachtsverkeer brengt geen intimiteit, maar wekt de behoefte de vrouw vervolgens het bos in te sleuren en dood te schieten, nadat men haar eerst met sigarettepeuken verbrand, kruisen in de huid geritst en haar met vijftien andere mannen gedeeld heeft.”

Die vraag proberen Benard en Schlaffer in het tweede deel van het boek te beantwoorden. Het antwoord is veelzijdig. Ze laten militaire deskundigen aan het woord die erop wijzen dat de oorlog in Bosnië nog uitzonderlijker is dan oorlogen toch al zijn: “Soldaten, deels nog heel jong, hebben toezicht en leiding nodig. Als superieuren merken dat er verruwing plaatsvindt, moeten ze dat aan de orde stellen en maatregelen nemen. Als ze het door de vingers zien, als ze tenslotte zelf nog meedoen, als ze zelfs, zoals uit Bosnië wordt bericht, opzettelijk tot excessen aanzetten, worden ontsporingen onontkoombaar.” In Bosnië is niet opgetreden tegen verruwing. Er vechten 'weekend-Rambo's' mee die niet eens binnen een commandostructuur fungeren. Niemand wordt bestraft (er is slechts één geval bekend van de berechting van een Serviër die door de Serviërs zelf wordt berecht, op de beschuldiging zestien moslims te hebben vermoord; dit proces is deze week in Servië begonnen). Op een bepaalde manier worden de Serviërs voor hun gruweldaden zelfs beloond - door de passiviteit van de buitenwereld.

Groepsdwang

Maar die verklaring alleen bevredigt niet. Op basis van rechtstreekse gesprekken en van literatuuronderzoek wijzen Benard en Schlaffer op een reeks andere potentiële verklaringen, zoals het feit dat alle in Bosnië begane wreedheden (inclusief systematische verkrachting) uit eerdere oorlogen bekend zijn, de geweldige, bijna niet te weerstane druk die uitgaat van groepsdwang in extreme situaties als een oorlog, de sluipende vernietiging van persoonlijkheidsstructuren in de oorlog en de patriarchale en 'macho'-cultuur op de Balkan.

Het is de vraag of al deze elementen, zelfs in combinatie, als verklaring voldoen. De schrijfsters zelf lijken evenmin werkelijk overtuigd. Verder zoekend verdiepen ze zich in het karakter van de terreur in Bosnië, in de functie van de terreur. De etnische zuivering kent drie varianten: de Bosniërs worden ertoe gebracht uit zichzelf te vluchten, ze worden met geweld verdreven of ze worden vermoord. Welke van de drie varianten wordt toegepast, is afhankelijk van de vraag hoe dicht bij de gevechtszone ze wonen, welke krachtsverhoudingen er in hun plaats bestonden en welke groepering van de Serviërs verantwoordelijk is. “Tegelijkertijd grijpen de drie varianten in elkaar. Berichten van massale terechtstellingen bevorderen de bereidheid om te vluchten. De schijnbaar onnodige, zinloze ruwheid waarmee de angstige burgers worden behandeld, versterkt de boodschap. Ze moeten niet alleen vluchten, ze moeten het ook nooit meer in hun hoofd halen terug te keren.”

Dat systeem blijkt te werken. In plaatsen waar moslims hebben gehoord van massa-executies, haast elke moslim zich om onmiddellijk gevolg te geven aan het bevel, zijn bezittingen aan Serviërs over te dragen. Sterker: er ontstaat gedrang op het politiebureau waar ze dat moeten doen. Als de beroofde, doodsbange dorpelingen dan uiteindelijk in bussen zijn geladen om te worden gedeporteerd, en de Serviërs - schijnbaar zinloos - bij het wegrijden het vuur openen en een aantal inzittenden van de laatste bus doodschieten, hebben ze de Servische boodschap begrepen: ze raken zo getraumatiseerd dat ze hun woonplaats nooit meer willen zien èn ze vertellen het gebeurde verder. Een moslim-vrouw is zelf verbaasd als ze op de vraag waarvoor ze het bangst is, spontaan antwoordt: “Voor de terugkeer.”

De terreur jegens de moslims is niet spontaan, maar bewust, doordacht en georganiseerd en ondanks de extreme wreedheid geraffineerd. Het mag verbazing wekken dat de moslims nergens tegen die terreur in opstand komen. Twee redenen zijn daarvoor volgens Benard en Schlaffer bepalend: ten eerste de overrompeling van de mensen en ten tweede de toestand van onzekerheid, het wegvallen van de criteria van de normaliteit. “De burgerbevolking weet niet wat de soldaten van plan zijn. Zullen ze gedood of gedeporteerd worden? Is het beter te protesteren, te gehoorzamen of ervandoor te gaan? Het succes van de terreur ligt in haar irrationele component.” In extreme situaties verdwijnen alle vanzelfsprekendheden; wat altijd normaal is geweest, bestaat niet meer, het wordt onmogelijk gebeurtenissen te taxeren en beslissingen te nemen.

Parallellen

In het derde en laatste deel van het boek worden, onvermijdelijk, de parallellen getrokken tussen Bosnië en de Holocaust, tussen de passiviteit van de buitenwereld toen en nu, de vraag waarom toen miljoenen mensen systematisch werden vermoord zonder dat de rest van de wereld zelfs maar de spoorlijnen naar de vernietigingskampen bombardeerde en er nu opnieuw een volk wordt uitgemoord en we bij zoveel leed verveeld of wanhopig wegzappen.

Parallellen zijn er te over. Een van de conclusies die de schrijfsters uiteindelijk trekken is dat we al te makkelijk alle verantwoordelijkheden voor gezamenlijk optreden in handen van de staat hebben gelegd, een instantie die niet in staat is morele of humane reacties te vertonen. Zoals Amerikaanse joden en joodse instanties er in de Tweede Wereldoorlog op hoopten dat er ergens in het Witte Huis of het Vaticaan wel een geest van beschaving zou bestaan die de liquidatie van de joden zou verhinderen - hetgeen niet het geval was -, zo zijn wij er nu van uitgegaan dat 'de politici' maar moesten ingrijpen. “We kunnen zeggen wat er [na de Tweede Wereldoorlog] gefunctioneerd heeft en wat niet. Het waarschuwingssysteem heeft gewerkt. De media hebben gefunctioneerd. (...) Het rechtssysteem heeft gefunctioneerd. (...) En het feit dat brede lagen van de bevolking op de hoogte en geschokt zijn, is kennelijk onvoldoende om een eind aan de misdaden te maken. De politici laat het koud en het medelijden van de bevolking leidt tot niets.”

We beschouwen ons als democratie en onszelf als mondige burgers, schrijven Benard en Schlaffer, maar de werkelijkheid is dat we op veel belangrijke terreinen niet de mogelijkheid hebben iets te doen - omdat we die mogelijkheid niet hebben gecreëerd. “We hebben geen nieuwe instellingen opgericht die het daarvoor nodige morele mandaat hebben. We geloven nog altijd dat de geest van de beschaving in het Witte Huis of het Vaticaan sluimert.”

En dat is net zo min het geval als in de Tweede Wereldoorlog: politici, zo citeren Benard en Schlaffer de Zwitserse analyticus Paul Parin, zijn minder geïnteresseerd in het oplossen van problemen dan in het geruststellen van de openbare mening en het sussen van kritiek. Daarom sturen ze beveiligingstroepen, ook al bieden die geen veiligheid, en voedsel, ook al neemt dat de honger niet weg. Hun belang is het niet wèrkelijk te helpen, hun belang is slechts het bevredigen van het verlangen te helpen. “Echt optreden stellen ze uit, om dan opgelucht te kunnen zeggen dat het 'te laat' is.”

Benard en Schlaffer komen, als ze het hebben over de bystanders in Bosnië zelf - de Serviërs die de moord op en verdrijving van hun moslim-buren zien en niets doen, tot verbijstering van de slachtoffers - eveneens uit bij de parallellen met het verleden. Ze belanden daarbij bij het boek dat Nechama Tec heeft geschreven over de motieven van Polen die in de oorlog met gevaar voor eigen leven joden verborgen. Tec ontdekte dat sommige van die Polen uitgesproken antisemieten waren en dat de meesten van hen die joden niet persoonlijk kenden voor ze hen verborgen. Tec' conclusies: de betrokken Polen hadden twee eigenschappen gemeen die hen uittilden boven de massa van passieve bystanders: ze bezaten een uitgesproken waardensysteem en ze waren dermate individualistisch dat ze dat waardensysteem ook onder extreme omstandigheden toepasten. “Ook als hun Kerk door antisemitisme werd gekenmerkt en met de nazi's collaboreerde, konden ze hun religieuze waarden individueel interpreteren en er eigen handelingsvoorschriften aan ontlenen.”

Dat blijkt ook in Bosnië te gelden voor de Serviërs die moslims hebben geholpen. Er zijn veel gevallen bekend van Serviërs die zich schuldig maakten aan wandaden jegens moslim-buren met wie ze lang vreedzaam hebben samengeleefd of zelfs bevriend waren. Maar er zijn ook gevallen bekend van Serviërs die wildvreemde moslim-gevangenen bevrijdden, in een vrachtwagen verstopten, langs wegversperringen smokkelden en naar Hongarije reden.

Verdienste

Benard en Schlaffer snijden in Dicht bij ons bed een groot aantal thema's aan. Niet altijd vinden ze een overtuigend antwoord op de vragen die ze zelf opwerpen of die de afschuwelijke werkelijkheid hun opdringt. Soms zijn de antwoorden onvolledig; zo besteden ze nergens aandacht aan de grote rol die de manipulatie door overheden als de Kroatische en de Servische jarenlang heeft gespeeld en die er ongetwijfeld toe heeft bijgedragen dat de psychologische voorwaarden voor het wegvallen van remmingen werden geschapen toen de strijd eenmaal losbarstte.

Maar zelfs het stellen van de vragen op de wijze waarop de schrijfsters dat doen is al een verdienste. Daarbij onderscheidt hun boek zich op ten minste twee punten van de rest van de Bosnië-literatuur: veel van die boeken zijn door journalisten geschreven, en journalisten zijn leken, ze houden zich doorgaans aan feiten en verdwalen nogal eens als ze trachten dieper te graven en te psychologiseren. Benard en Schlaffer zijn therapeuten, professionals die zich vakmatig in de psychologie van slachtoffers, daders en bystanders binnen èn buiten Bosnië kunnen verdiepen, die weten wat verkrachting, ontworteling en verdrijving betekent en die weten wat trauma's zijn. En ten tweede, zeker zo belangrijk: ze schrijven met een uitzonderlijke warmte en empathie over de Bosniërs, zonder te verzanden in sentimentaliteit of onechtheid. Dicht bij ons bed is een boek over buitengewoon pijnlijke thema's. Een onverdraaglijk boek. Maar ook een prachtig boek.