Concessies in juni toegewezen; Omroepen tot '95 de tijd in het bestel te blijven

DEN HAAG, 18 JUNI. Omroepen moeten hun aanvraag voor een vijf- of tienjarige zendtijdconcessie voor 15 januari 1995 indienen bij de minister van WVC. Voor 1 juni volgend jaar beslist de minister welke omroepen de concessie toegewezen krijgen.

Dit staat in de algemene maatregel van bestuur tot wijziging vanhet Mediabesluit, die het kabinet gisteren voor advies naar de Raad van State heeft gestuurd. De concessie treedt op 1 september 1995 in werking.

Wijziging van het Mediabesluit was noodzakelijk als gevolg van de nieuwe Mediawet, die onlangs door de Eerste Kamer werd aanvaard. Omroepen die een concessie krijgen kunnen daarna niet meer uit het bestel treden.

Het Mediabesluit geeft programmavoorschriften voor de op te richten Nederlandse Programma Stichting (NPS), de NOS en een zogenoemd 'verlicht' programmavoorschrift voor omroepverenigingen die per televisienet samenwerken in een rechtspersoon. Voor deze laatste zal de verplichting om ten minste 30 procent programma's van informatieve of educatieve aard uit te zenden en 20 procent culturele programma's, voor het televisienet als geheel gelden. De samenwerkende omroepen kunnen dan per net afspreken wie welke programma's uitzendt.

Deze onderlinge 'compensatie' mag echter niet verder gaan dan maximaal de helft van het volledige programmavoorschrift. Elke partner blijft verplicht om ten minste tien procent aan cultuur en vijftien procent aan informatie/educatie te besteden.

Dit 'verlichte' programmavoorschrift geldt uitsluitend voor de omroepverenigingen, niet voor de NPS. De Nederlandse Programma Stichting, die per 1 januari 1995 als een volwaardige A-omroep op het derde televisienet een plaats zal krijgen, neemt het huidige aanvullende programma van de NOS over, waarbij haar zendtijd voor ten minste 40 procent gevuld moet zijn met programma's van culturele aard. Twintig procent daarvan moet besteed worden aan kunst. Het Mediabesluit schrijft voor dat het programma van de NPS een evenwichtig beeld levert van de “maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke verscheidenheid in ons land”. Minimumpercentages geeft het Mediabesluit voor programmaonderdelen voor etnische- en culturele minderheden. Voor televisie is dit vijftien procent en voor de radio 20 procent. Dit hogere percentage voor de radio “vloeit voort uit de ruimere mogelijkheden die dit type programmering heeft”, aldus het besluit.

Regionale en lokale omroepinstellingen moeten volgens het Media besluit voor ten minste 50 procent programma's uitzenden die door henzelf of uitsluitend in opdracht zijn geproduceerd. In de Memorie van Toelichting schrijft de minister dat geen lager percentage wordt voorgeschreven omdat dan het gevaar bestaat dat verschillende lokale en regionale omroepen hetzelfde programma bij een externe producent zouden afnemen en zij daarmee een netwerk buiten hun eigen grenzen gaan vormen. Dit zou in strijd zijn met met de Mediawet, die de regionale en lokale omroepinstellingen verplicht de helft van hun programma's te betrekken op het eigen uitzendgebied.