Borderline

Susanna Kaysen: Meisje, verstoord Verslag van een tweejarig verblijf in een psychiatrische inrichting

166 blz., (Girl, interrupted. Vert. Marian Lameris), Bodoni 1994, ƒ 29,00

Veel mensen denken dat het nooit meer wat met je wordt als je een tijd in een psychiatrisch ziekenhuis opgenomen bent geweest. De levensloop van Susanna Kaysen bewijst echter het tegendeel en zij is gelukkig niet de enige, zoals ze terecht betoogt.

Deze week werd in Nijmegen het eerste Europese congres over persoonlijkheidsstoornissen gehouden met als bijzondere attractie het optreden van de Amerikaanse psycho-analyticus Otto F. Kernberg die mondiaal geldt als de specialist op het gebied van de borderline-problematiek. Hiermee wordt bedoeld een onrijpe persoonlijkheid met vaak onvoorspelbaar, impulsief, agressief gedrag. Zijn boeken met titels als Borderline Conditions and Pathological Narcissism (1975), Severe Personality Disorders (1984) en Aggression in Personality Disorders and Perversions (1993) zijn technisch gezien prima, maar missen de literaire stijl van Freud en de sprankelende eenvoud van psycho-analytici van het type Winnicott of Van Dantzig. In zijn gevalsbeschrijvingen ontpopt Kernberg zich als iemand die met de deur in huis valt en de confrontatie met de patiënt allerminst schuwt. Zijn toverwoorden zijn duidelijkheid en structuur, maar aandacht voor de betekenis van het symptoom en een enkel biografisch detail treft men bij hem maar zelden aan. Voor een subtiele schildering van de zieleroerselen van borderline-patiënten moet men evenmin bij Kernberg zijn. Voor dat laatste kan men beter terecht in het zojuist verschenen boek Meisje, verstoord waarin Susanna Kaysen verhaalt hoe zij in 1967 met 18 jaar op merkwaardige wijze in het dure Amerikaanse McLean Hospital belandt.

Meisje, verstoord kan als fijnzinnig kleinood worden beschouwd dat met veel liefde uitgegeven is, hetgeen reeds blijkt uit het omslag waarop een detail van een schilderij van Vermeer (een meisje dat bij het musiceren wordt gestoord) staat afgebeeld. Het is tevens de clou van dit vorig jaar in Amerika verschenen boek en het past precies bij het sfinxachtige dat borderline-patiënten zo vaak aankleeft. Ze kijkt de toeschouwer indringend aan zonder dat duidelijk wordt waardoor zij precies wordt gestoord en wat er in haar hoofd omgaat. De schrijfster ziet in haar bruine ogen een waarschuwing; het meisje wil zich ontworstelen aan de bezitterige man die eveneens op het schilderij staat afgebeeld (een mooi voorbeeld van projectieve identificatie). Fragmenten uit het medische dossier, dat de schrijfster met hulp van een advocaat wist te bemachtigen, verhogen het authentieke karakter van het boek. En passant noemt de schrijfster de wonderlijke tegenstelling tussen de voorstanders van de biologische psychiatrie en die der psycho-analyse, die ze heel origineel typeert als het gebrek aan contact van de buitenlandse correspondenten van een krant met de schrijvers op de opiniepagina. Prachtig is het hoofdstuk over de schaduw van de werkelijkheid waarin zij de ondergrondse tunnels van de inrichting met een knipoog naar Plato's grot psycho-analytisch verklaart.

Scherpzinnig observeert Kaysen haar eigen bizarre gedrag zoals het zichzelf in de polsen snijden. Wat de staf blijkens de rapportage ontgaat, is dat deze vorm van automutilatie optreedt kort na het ontslag van een medepatiënte. Plotseling denkt ze in paniek dat er geen botten in haar hand zitten. Het is alsof ze geen mens meer is, alleen maar huid. Bij de tandarts wil ze na een pijlsnelle kiesextractie precies weten hoe lang dat heeft geduurd. Opnieuw verschrikkelijke paniek, omdat ze het gevoel heeft dat ze de tijd helemaal kwijt is geraakt. “Een toeschouwer kan niet zien of iemand bewegingloos is omdat zijn innerlijk tot stilstand is gekomen of omdat zijn innerlijk leven verlammend druk is”, zo ontzenuwt zij het academische onderscheid tussen een langzame en snelle vorm van krankzinnigheid. Helemaal in het begin van haar opname neemt ze de werkelijkheid op een vreemde manier waar.

De kritische lezer denkt wellicht dat een opname helemaal niet nodig was geweest. Het is nogal wat, Susanna gaat 's morgens vroeg naar een onbekende dokter, die een puistje bij haar constateert, waar ze almaar aan heeft zitten pulken. “Je hebt rust nodig”, zegt de medicus en voor ze het weet zit ze in een gekkenhuis waar ze ruim anderhalf jaar zal verblijven. Maar er is meer aan de hand. Vóór de opname is zij reeds drie jaar in therapie geweest en vier maanden geleden nog liep ze van huis weg. Bovendien blijkt dat ze al eens eerder een zelfmoordpoging heeft gedaan.

Ondanks de eenvoudige, superieure stijl vind ik het boek een beetje mysterieus. Niet vanwege de diagnose, die in modern jargon ongetwijfelfd upper level borderline luidt, en ook niet wat het resultaat betreft: genezen. Uit de ontslagpapieren blijkt dat Susanna nooit meer heeft geprobeerd weg te lopen, maar merkwaardig genoeg ook dat zij nooit op verlof naar haar ouders ging en in al die tijd slecht één keer bezoek ontving. Over de precieze feiten uit haar jeugd vindt de lezer hoegenaamd niets, alsof de onzichtbare hand van Otto F. Kernberg toegeslagen heeft. Ook al geeft de schrijfster toe dat zij destijds veel kenmerken van de stoornis had, ze blijft moeite houden met de diagnose borderline-persoonlijkheid. Zij relativeert elke psychiatrische gewichtigdoenerij met de prikkelende stelling dat deze stoornis (net als homoseksualiteit enige tijd geleden) over dertig jaar waarschijnlijk uit het psychiatrische handboek zal zijn geschrapt.