Bij de pinken

Soms zien ze er als polderjongens uit, met modderige laarzen tot hun lies. Soms glanzen ze als meisjes voor een feest, geborsteld, opgemaakt en nieuwe kleren aan. Dat doet het weer. Dat maakt ze telkens vuil en ook weer schoon.

Verleden week zeiden de boeren dat het wel oktober leek, de regen maakt het hele land kapot. Dan schijnt de zon en raakt de regen in vergetelheid. En morgen andersom.

Een koppel pinken, kerngezond. Zwartbont, roodbont en iets van een witrikkoe. Ik hou wel van het vale dat een witrik heeft.

Ze komen op een drafje naar het hek, een paar attent voorop en eentje sullig achteraan. Ik wacht die laatste altijd af. Het lijkt me sneu voor haar als je dat niet zou doen.

Het beestenspel van duwen, wringen, snuiven, stampen, wijken, zwaaien met de kop. Die vreselijke gele dingen in hun oor, dat nummer, streepjescode, levenslang.

Ik bied mijn hand aan en er komt een snuit omhoog, en er verschijnt een bleke tong. Maar als ik eerlijk ben: ze hebben geen behoefte aan mijn hand, ze zijn nieuwsgierig naar mijn hond, veel lager aan het hek, waar snuiven wordt geruild met snuffelen.

De groene ruimte om ons heen.

Wat moesten we met al dat gras als er geen koeien waren om het op te vreten? Of stel dat koeien slechts op pannekoeken konden leven - waar haalden we zoveel beslag vandaan?