Turkije verbiedt Koerdische politieke partij

ANKARA, 17 JUNI. Het Turkse constitutionele hof heeft gisteren de pro-Koerdische Democratische Partij (DP) verboden. Dertien van de 17 parlementariërs van deze partij verliezen hierdoor hun zetel.

De resterende vier behouden hun post omdat ze geen lid waren van de DP op het moment dat de rechtszaak tegen de partij werd geopend.

De beslissing is grotendeels gebaseerd op toespraken van de voormalige leider van de DP, Yasar Kaya, en een verklaring getiteld 'een oproep voor vrede'. De partij zou er hierdoor blijk van hebben gegeven Koerdisch separatisme te ondersteunen. De DP is sinds haar oprichting in mei van het vorig jaar afgeschilderd als een verlengstuk van de Koerdische Arbeiders Partij, de PKK, die in het zuidoosten van het land in een guerrilla-oorlog is verwikkeld met het Turkse leger. Kaya zelf verblijft al geruime tijd in Duitsland om te voorkomen dat hij in Turkije wordt berecht.

Vijf Koerdische parlementariërs, wier parlementaire onschendbaarheid begin maart werd opgeheven, zitten in afwachting van hun proces in een gevangenis in Ankara, evenals een onafhankelijke Koerdische afgevaardigde. De openbare aanklager van het staatsveiligheidshof in Ankara heeft aangekondigd dat de weg nu vrij is om ook de acht andere voormalige DP-afgevaardigden te arresteren. Deze worden eveneens beschuldigd van separatisme, waarvoor ze in Turkije veroordeeld kunnen worden tot de doodstraf.

Zes van hen zijn deze week, vooruitlopend op de beslissing van het constitutionele hof, naar België en Duitsland uitgeweken. Vermoedelijk zullen ze bij het Internationale Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg een aanklacht indienen tegen de beslissing om de DP te sluiten. Alle 17 parlementsleden van DP zijn eerder deze week overgestapt naar de nieuw opgerichte HADEP, de Democratische Volkspartij. Hiermee voorkomen ze dat ze niet alleen hun zetels in het parlement verliezen, maar ook nog eens tien jaar lang van politieke deelname zijn uitgesloten.

Met de sluiting van DP komt het constitutionele hof tegemoet aan de wens van de militairen in Turkije om de “Koerdische bandieten en verraders” uit het parlement te weren. Premier Tansu Çiller zette daartoe in het voorjaar de eerste stap door tegen de zin van de sociaal-democratische coalitiepartner het parlement op te dragen de immuniteit van de zeven meest radicale Koerdische afgevaardigden op te heffen, waardoor ze konden worden berecht. Ze kreeg daarbij de steun van de oppositiepartijen.

Die opstelling heeft tot nogal wat kritiek geleid in Europa. De Koerdische afgevaardigden werden door de Westerse landen juist als een brug gezien tussen de regering en de PKK, om zo te komen tot een politieke oplossing van het Koerdenvraagstuk in Turkije. De regering-Çiller opteert voor een militaire aanpak: eerst moet de terreur worden bestreden, waarna er pas over politieke en economische hervormingen kan worden gepraat.

Door het verbod van de DP komt het aantal vacante zetels in het parlement op 21. Zo gauw dat aantal tot 23 oploopt, moeten er tussentijdse verkiezingen worden gehouden. Nogal wat politici achten dit een ongewenste ontwikkeling omdat de moslim-fundamentalistische Welvaartspartij dan haar aanhang in het zuidoosten verder zal vergroten.