Oostenrijk heeft eindelijk zelf gekozen

Met het Oostenrijkse volk treedt een nieuw lid van de Europese Unie aan dat trotser is op zijn nationale identiteit dan enig ander volk in Europa, schrijft André Spoor.

Twee van elke drie Oostenrijkers hebben afgelopen zondag voor toetreding van hun land tot de Europese Unie gestemd. Betekent dit dat de oude idealen van Anschluss bij Duitsland nu via het Europese verband zijn waargemaakt, zoals hier en daar beweerd wordt? Met als gevolg dat Duitsland, toch al het sterkste, volkrijkste land van de Unie, nu ook nog uitbreiding heeft gekregen? Geen sprake van. Met het Oostenrijkse volk treedt een nieuw lid van de EU aan dat trotser is op zijn nationale identiteit dan enig ander volk in Europa. Wel 66 procent van de Oostenrijkers zeggen zéér trots op hun land te zijn, wat maar 52 procent van de Engelsen beweren, slechts 32 procent van de Fransen en niet meer dan 22 procent der Nederlanders (cijfers van World Value Survey 1990-1994). In onze Westelijke wereld zijn alleen de Amerikanen nog trotser op hun nationaliteit.

Zo is het niet altijd geweest. Toen na de Eerste Wereldoorlog het Duitse restje van het Habsburgse Rijk van de overwinnaars als 'Oostenrijk' verder door de wereldgeschiedenis mocht gaan, zagen de meeste inwoners van deze rompstaat hun land als niet levensvatbaar en als een historisch misbaksel. Het liefste wilden alle partijen in de toen aan het nieuwe land opgelegde democratische structuur aansluiting bij Duitsland. Maar dat werd in Versailles verboden, net zoals het voorstel het restland 'Duits Oostenrijk' te noemen.

Ondanks deze voorgeschiedenis ontwikkelde zich in de Eerste Republiek toch zoiets als een nationaal gevoel. Toen in 1938 de austro-fascistische bondskanselier Schuschnigg een referendum uitschreef over de vraag of Oostenrijk onafhankelijk van nazi-Duitsland zou moeten blijven was Adolf Hitler zo bezorgd dat de Oostenrijkers zich tegen Anschluss zouden uitspreken dat hij zijn troepen het land binnen liet marcheren. Langs de wegen stonden toen wel honderdduizenden Oostenrijkers te juichen.

Na de nederlaag van de nazi's, met wie bijna alle Oostenrijkers gehoorzaam mee-gemarcheerd waren (soms zelfs voorop), waren er redenen te over om zich van Duitsland te distantiëren. Men werd daarbij geholpen door de geallieerde uitspraak dat Oostenrijk het eerste slachtoffer was geweest van nazi-agressie. Maar ook hielp dat de meeste Oostenrijkers meer dan genoeg hadden van de Duitse, grondige, humorloze 'efficiëntie' die tenslotte alleen maar ellende gebracht had. Een eigen identiteitsgevoel begon zich langzaam maar zeker te ontwikkelen, hoewel dit belemmerd werd door de aanwezigheid van troepen der Grote Vier en het uitblijven van zelfstandigheid tot aan het staatsverdrag van 1955. In de jaren zestig voelde nog steeds niet meer dan een minderheid van 47 procent der bevolking zich deel van een natie. Dit percentage is nu tot tegen de 80 gestegen.

Daar is ook alle reden voor. Oostenrijk heeft in de afgelopen decennia een eigen maatschappelijke en politieke koers gevolgd die het onderscheidt van andere Europese landen. Het referendum van 12 juni en de beslissing tot de EU toe te treden kunnen daarbij gezien worden als markering en bevestiging van deze eigen koers. Want bondskanselier Vranitzky had afgelopen zondag gelijk toen hij zei dat Oostenrijk met deze beslissing zijn lot nu voor het eerst geheel in eigen handen heeft kunnen nemen. Sinds de huidige staat ontstond na de Eerste Wereldoorlog werd de armslag van Wenen immers steeds ingeperkt: door het verbod op Anschluss, door het austrofascisme, het Derde Rijk, de Geallieerden na 1945 en daarna door het staatsverdrag waarin onder druk van Moskou een verplichting tot neutraliteit moest worden opgenomen. (Een eerste poging van Wenen om tot de EEG toe te treden werd op grond hiervan door Chroestsjow verboden.)

Het Oostenrijkse volk, dat op 1 januari acht miljoen mensen aan de EU zal toevoegen en een territorium dat twee keer zo groot is als Nederland, heeft een sterk nationaal bewustzijn en is trots op zijn land. Waarop het vooral trots is? Op het mooie landschap en op kunst en cultuur zeggen een groot aantal ondervraagden spontaan (31 en 22 procent). Een op de zeven Oostenrijkers blijkt trots op het sociale stelsel, de economie, de politieke en sociale stabiliteit. En verder blijkt men ook nogal ingenomen te zijn met de eigen karaktereigenschappen. Men ziet zichzelf als gezellig, voorzichtig, ijverig, begiftigd met zin voor humor, tolerant en conservatief.

Zijn de Oostenrijkers dan niet meer dan een vriendelijk volkje in een welvarend democratisch land, waar na de Duitse de Nederlandse toerist de meest geziene vreemdeling is (negen miljoen overnachtingen)? Wie naar Oostenrijks kunstenaars en intellectuelen luistert krijgt andere kost opgedist. In hun ogen is hun land de bakermat van de verdringing, van de valse charme, van demonen die in het bloed spoken, van post-fascistisch provincialisme en anti-semitisme. De beroemdste stem in dit kapittel was wel die van de in 1989 gestorven Thomas Bernhard, die de hoofdfiguur in zijn stuk Heldenplatz Oostenrijk een 'geest- en cultuurloos riool' liet noemen. Bijna zachtzinnig klinkt daarnaast de beschrijving van het eigen volk door Jörg Mauthe als: 'Irrelevantiner des Westens' of van het eigen land door Ernst Fischer: “een spookachtige provincie, waardoor niet de storm maar de tocht der geschiedenis waait”.

Deze niets onziende zelfkritiek is in Oostenrijk een oude traditie. Haar hoogtepunt beleefde zij aan het begin van de eeuw, toen alle barometers op storm stonden, maar hof, adel en burgerij van het Habsburgse Rijk vrolijk naar de ondergang dansten. Hoewel het huidige Oostenrijk fundamenteel verschilt van de immense veelvolkerenstaat van tachtig-negentig jaar geleden, is de intellectuele en artistieke zelfhaat gebleven. Misschien wel omdat er één constante in de Oostenrijkse historie waar te nemen is: de neiging tot verdoezeling van tegenstellingen, tot verdringing van onprettige waarheden, tot het verkiezen van charmante vriendelijkheid boven duidelijkheid. Of, zoals het wel eens bondig is samengevat: wel geschiedenis, maar geen verleden. Of nog bondiger: 'wel Mozartkugeln, geen Adolf Hitler'.

In het huidige Oostenrijk is deze constante overal terug te vinden. In de omgang met het eigen nazi-verleden: pas sinds de Waldheimaffaire heeft een stroom studies het Oostenrijkse aandeel in de nazibarbarij in kaart gebracht en pas drie jaar geleden sprak de Oostenrijkse bondskanselier voor het eerst over medeschuld van Oostenrijkers. Decennialang werd het Oostenrijkse aandeel onder het kleed geveegd, bekleedden oud-nazi's prominente posities, kregen nazi-dichters de officiële literaire staatsprijs, werden pensioenen uitbetaald aan lieden die in concentratiekampen of in de criminele SS hadden gediend en lapte men Wiedergutmachung aan zijn laars (lang kwamen alleen Oostenrijkse staatsburgers in aanmerking voor compensaties, terwijl een groot deel van de nazi-slachtoffers juist verdreven was en nieuwe paspoorten had moeten verwerven).

Oostenrijk is nu een parlementaire democratie, maar van een duidelijke controle van de regering door de oppositie is geen sprake. Daarvoor is het systeem te veel een bekokstoof-stelsel, waarin de twee grote partijen, de socialistische SPÖ en de klerikale ÖVP , achter de schermen elkaar de bal toespelen. Günther Nenning, een eigenzinnige waarnemer, spreekt daarom van een eenpartijensysteem, waarin de SÖVP aan de macht is. Corporatistisch is bovendien de hier veel geprezen 'Sozialpartnerschaft', waaraan een informeel geheim bedisselgremium dat 'Paritätische Kommission' heet gestalte geeft. Hierin wordt het grootste deel van het economische en sociale beleid bepaald buiten hinderlijke democratische inspraak om. Uit deze 'samenwerking', die volgens een onhoudbaar lijkende legende zou zijn voortgevloeid uit de band die de daarvoor bitter vijandige sociaal-democraten en christelijk-socialen in Hitlers concentratiekampen met elkaar hebben gesmeed, resulteren volgens de voorstanders van het systeem Oostenrijks arbeidsvrede en economische bloei.

Hand in hand met dit corporatistische element in de Oostenrijkse werkelijkheid gaat de bijna Oosteuropese rol die de staat in de economie speelt. Het grootste deel der economische bedrijvigheid is in handen van de staat. Austrian Industries, een holding van bedrijven die de staat bezit, omvat dertien procent van het bedrijfsleven. Weliswaar praat men al jaren druk over privatisering van dit conglomeraat en is er een minister in het kabinet die hiervoor verantwoordelijk is, maar actie blijft uit. Dat is ook wel begrijpelijk, want een 'sterfhuisconstructie', waarbij de levensvatbare bedrijven in privé-handen overgaan terwijl de onrendabele, jaarlijks miljarden verlieslijdende delen van Austrian Industries bij de staat blijven hangen is voor de belasting betalende burger een onaantrekkelijke propositie en daarmee voor de regering een politiek onattractieve 'oplossing'.

Toetreding tot de EU zal hier wel verandering in brengen, zoals in wel meer sectoren van de Oostenrijkse samenleving. Wellicht zal ook de situatie bij de mensenrechten verbeteren. Hoewel het land tot de top van de wereld behoort wat handhaving van mensenrechten betreft heeft toch geen Westeuropees land zoveel kritiek van Amnesty International te verduren gekregen als Oostenrijk. Het voorarrest kan hier veel langer duren dan de Westelijke norm en tegenover asielzoekers is Oostenrijk sinds de nieuwe wetgeving van vorig jaar zo rigoureus dat de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties UNHCR vindt dat het land niet meer als 'veilig derde land' kan worden aangemerkt. Dit is vooral treurig als men bedenkt dat weinig landen in Europa in de afgelopen decennia zo gastvrij zijn geweest als Oostenrijk. Golven vluchtelingen uit Hongarije (1956), Tsjechoslowakije (1968), Polen (1981) en voormalig Joegoslavië werden genereus opgenomen. Tegen de 70.000 Bosnische vluchtelingen kregen onderdak in Oostenrijk, gerelateerd aan de bevolking een veel hoger percentage dan Duitsland opnam (om van Nederland niet te spreken).

Met Oostenrijk treedt een land tot de EU toe, dat veel verdoezelde tegenstellingen in zich bergt. Maar het is een land dat sinds de Tweede Wereldoorlog consequent naar banden met het Westen heeft gestreefd. Het deed mee aan het Marshallplan, de OESO, de Raad van Europa, de Europese Vrijhandels Organisatie. Het leverde duizenden blauwhelmen aan de Verenigde Naties. En misschien krijgt Frederic Morton, die als Fritz Mandelbaum vijftig jaar geleden uit zijn geboorteland moest wegvluchten, gelijk toen hij in een symposium over de Oostenrijkse identiteit een paar weken geleden in Wenen betoogde dat het mopperende, provinciale voortmodderen, dat kenmerkend is voor de Oostenrijkse vorm van creativiteit, een welkom contrapunt zal zijn binnen de Europese Unie tegenover het rationele, methodische, lineaire 'plannen' van al die optimistische krachten, die nu radeloos staan tegenover de stress, de criminaliteit, het milieubederf en de drugsverslaving van de 'moderne' wereld.