Kunst van Jan van de Pavert als onderdak voor een dakloze

Tentoonstelling Jan van de Pavert. Huis. T/m 3 juli, Centraal Museum Utrecht, Agnietenstraat 1. Open di t/m za 10-17u. Zo 12-17u. Catalogus 30 gulden.

Wie met de trein naar Utrecht gaat om de tentoonstelling van Jan van de Pavert in het Centraal Museum te bezoeken, moet door Hoog Catharijne wandelen. De tocht door dit overdekte winkelcentrum is altijd een gruwel. Van de Pavert beschreef het eens als een optelsom van fragmenten, een chaotische doolhof, die bij hem een verlangen opriep naar stilte en isolement. Zijn wandeling door Hoog Catharijne resulteerde in een cel met drie monumentale deuren als wanden. Dit werk, dat hij op een eerdere tentoonstelling toonde, verenigt beide elementen, stilte en chaos: kijkgaatjes in de deuren zorgen er voor dat de vermoeide voyeur de buitenwereld toch in de gaten kan houden.

Op de tentoonstelling in Utrecht ontbreekt deze cel weliswaar, maar het verhaal geeft aan hoe de gebouwde omgeving de beeldhouwer en ex-kraker Van de Pavert (34) inspireert. Zijn ontwerpen zijn een poging om het modernistische idee dat kunst moet bijdragen aan een betere wereld nieuw leven in te blazen. De kunst van Van de Pavert is, kortom, niet vrijblijvend. Zo kun je vanuit een museumzaal buiten een kist zien staan van vochtwerend multiplex die bedoeld als schuilplaats voor een dakloze. In het model van het huis waaraan Van de Pavert de laatste jaren bouwt is in de gevel ook een plek gereserveerd voor een stadnomade.

Om hun ideeën duidelijk te maken schreven modernistische kunstenaars als Mondriaan en Malevitsj veel. Ook Van de Pavert heeft teksten gepubliceerd in boekjes en catalogi, en op zijn tekeningen staan vaak uitgebreide toelichtingen. In zijn ideale woning spelen boekenkasten dan ook een belangrijke rol. Plaats voor een ongeschreven boek (1989) is een mooi voorbeeld van de manier waarop Van de Pavert de verschillende onderdelen van een huis - ramen, deuren, trappen, stoelen - afzonderlijk typeert. Het werk bestaat uit een dichte boekenkast die van binnen bekleed is met bladzilver. Als toeschouwer kijk je aan de smalle zijde in een geheimzinnige spiegelende ruimte die leeg is: als het ongeschreven boek er stond zou het onbereikbaar zijn.

De bedoelingen van Van de Pavert zijn prijzenswaardig, maar als geheel overtuigt de tentoonstelling toch niet. Ook al bivakkeert buiten in de kist inmiddels een echte zwerver, beeldend blijft het een volstrekt oninteressant ding. Anders dan kunstenaars als Absalon of Rachel Whiteread die zich ook kritisch met achitectuur en ruimte hebben beziggehouden, slaagt Van de Pavert er vaak niet in om vormen te vinden waaraan visueel iets te beleven valt. De kindertekeningen van de kunstenaar en zijn vriendje compenseren dit tekort niet. Zij versterken juist de indruk van de expositie als een vergaarbak van deels geslaagde, deels minder geslaagde vondsten.

Uiteindelijk moeten al deze losse onderdelen een bestemming krijgen in het ideale huis. Een korte videoanimatie aan het slot van de tentoonstelling geeft de bezoeker alvast een voorproefje. Maar het werkt niet: de gefilmde ruimtes spreken niet tot de verbeelding, ze zijn vooral neerdrukkend.