Kleine verzamelingenleer

De merkwaardigste verzameling die mij ooit ter ore is gekomen, wordt beschreven door Heinrich Böll. Het betreft hier de verzameling van dr. Murke, die als redacteur werkzaam is bij de afdeling cultuur van een radiostation. Dr. Murke verzamelt adempauzes en stiltes, die vallen in de door hem verzorgde praatprogramma's. Hij knipt die pauzes uit de band, plakt ze achter elkaar en draait 's avonds thuisgekomen de nieuwe aanwinsten in gepaste stilte af. Ongetwijfeld bevat zijn verzameling zeldzame exemplaren van zwijgen, die men nergens anders beluisteren kan.

Dr. Murke mag van geluk spreken, want hij is bij het aanleggen van zijn verzameling slechts in beperkte mate afhankelijk van andere mensen. Zij moeten alleen af en toe hun mond houden. Veel verzamelaars zijn echter tot hun leedwezen afhankelijk van handelaars, die vaak zelf ook verzamelaar zijn. Boudewijn Büch schrijft: “De ergste antiquaren zijn diegenen die thuis een eigen collectie hebben. Die maken me gek als ze zeggen: 'Thuis heb ik een boek dat u graag zou willen hebben. Helaas kan ik het niet verkopen, want het behoort tot mijn privé-collectie.' Indien een antiquaar voor zichzelf verzamelt, hoort hij daar tegen zijn klanten over te zwijgen. Het zou toch geen pas geven als je bij Albert Heijn binnenkomt en het sperziebonenvak geheel leeg is. Je kijkt naar het vak en dan komt meneer Heijn persoonlijk aanlopen. 'Geen sperziebonen meneer Heijn?', vraag je. 'Nee', zegt de levensmiddelenmagnaat, 'die heb ik allemaal thuis in mijn eigen voorraadkelder staan.' ” Dat kan toch eigenlijk niet, volgens Boudewijn Büch.

Verzamelt welhaast niet iedereen? Vestdijk verzamelde stenen, W.F. Hermans oude schrijfmachines, Martin van Amerongen opnames van Wagner, Baron de Rothschild opgezette zebra's, Maarten van Traa buitenlandse spoorboekjes en Ger Harmsen vindplaatsen van zeldzame mossen. Gerard Reve verzamelde in een nadenkende periode zijn eigen uitwerpselen. Hij zette deze, keurig in kranten verpakt, in de boekenkast. Chronologisch geordend.

Terwijl een verzamelaar geen hond kwaad doet en onze waardering verdient omdat hij iets voor het nageslacht bewaart, wordt zijn gedrag toch als afwijkend en een beetje zielig beschouwd. Dat gedrag vraagt om een nadere verklaring. Hoe kan dat?

De psychoanalyse onderscheidt - geheel op eigen gezag - een aantal ontwikkelingsstadia in het opgroeiende kind, zoals het orale, het anale en het genitale stadium. Men kan in zo'n stadium blijven steken of er, als de nood aan de man komt, naartoe terugkeren. In het anale stadium beleeft het kind enig genoegen aan het bewaren en koesteren van zijn eigen excrementen. Ongetwijfeld moet een verzamelaar volgens de psychoanalyse beschouwd worden als iemand met - laat ik het voorzichtig zeggen - goede herinneringen aan het anale stadium.

Ontwikkelingspsychologisch bezien gaat ieder kind vroeg of laat iets sparen: sigarebandjes, postzegels, telefoonkaarten, foto's van poezen of Marilyn Monroe. Dat is begrijpelijk. De zin om te gaan verzamelen hangt samen met het succesvol leren denken in categorieën. Omstreeks het zevende jaar. Het kind heeft tot zijn verrukking geleerd hoe handig het is om te gaan met abstracte begrippen en klassen: de klasse van het sigarebandje, Marilyn Monroe en de postzegel. Het verzamelen van elementen uit zo'n klasse is uitdrukking van het plezier in dit cognitieve meesterschap. Een thorax-chirurg die zijden stropdassen verzamelt, wordt door een ontwikkelingspsycholoog dus beschouwd als een volwassene met een nostalgische herinnering aan het moeizame proces van abstract leren denken. En Thorstein Veblen vindt dat in het zorgeloos aanleggen van een verzameling vooral het vertoon tot uitdrukking komt dat men zich deze bezigheid - als lid van de leisure class - kan permitteren. Heel kinderachtig en opschepperig dus.

Waarom wordt er zo denigrerend gesproken over verzamelaars, mensen die iets bewaren, koesteren en ordenen. Dat is natuurlijk heel eenvoudig. Het is een ruil. In ieder mens zit een moderne meedogenloze project-ontwikkelaar, die het van vernietigen en opruimen moet hebben. De ondernemende verloedering. Men is bij tijd en wijle ook bereid die verloedering te betreuren, mits het gemoedelijk verzamelen en bewaren als een smadelijke neurose wordt verklaard. Dat is de enige mogelijkheid de beschaving te aanvaarden.