Klappen in het paradijs; Zweem van boerenromantiek in verhalen van Jasper Mikkers

Jasper Mikkers: De kleine jongen en de rivier. Uitg. De Bezige Bij, 260 blz. Prijs ƒ 38,50.

Het nieuwe boek van Jasper Mikkers (het tweede dat hij niet onder zijn pseudoniem Tymen Trolsky publiceert) lijkt op het eerste gezicht een moderne streekroman, al betreft het dan een verhalenbundel. De verwijzingen naar Antoon Coolen, een van de belangrijkste 'regionalisten' uit de Nederlandse literatuur, springen in het oog. Niet alleen de titel maakt dat De kleine jongen en de rivier onmiddellijk doet denken aan Coolens Dorp aan de rivier, een nog opvallender overeenkomst betreft het decor: een katholieke plattelandsgemeenschap in het zuiden van Nederland, waar moderne techniek en steedse cultuur nog niet zijn doorgedrongen.

De verhalen van Mikkers over dorpen, bossen en weilanden ademen een zweem van boerenromantiek zonder dat sprake is van pastorale verheerlijking. Net als bij Coolen zou je kunnen spreken van romantisch realisme: niet sentimenteel, wel gevoelig en meer beschrijvend dan psychologiserend.

Maar de overeenkomst met een streekroman is bij nader inzien gezichtsbedrog. Het boek van Mikkers mist de breedsprakigheid die bij het genre hoort. Belangrijker nog: het heeft geen specifieke gebondenheid aan de streek waar de verhalen spelen. De auteur beschrijft de gebondenheid van een kind aan zijn territorium, dat zich gaandeweg uitbreidt van de tuin naar de straat, van de straat naar het dorp en van het dorp naar de streek. Het territorium van het in de jaren vijftig opgroeiende veldwachterszoontje Henri Pafort bevindt zich toevallig in het imaginaire Avendonk, dat evengoed Oegstgeest of Maassluis had kunnen heten.

De kleine jongen en de rivier bevat elf verhalen met steeds dezelfde hoofdpersoon, die volgens de flaptekst probleemloos los van elkaar gelezen en begrepen kunnen worden. Begrepen misschien wel, want erg ingewikkeld of diepgravend zijn de belevenissen van de kleine Pafort niet, maar dit boek zou aan kracht verliezen wanneer bij lezing niet strikt de volgorde wordt aangehouden die de auteur heeft aangebracht. In elke verhaal bouwt Mikkers een intense spanning op, maar samen vertonen de verhalen ook een duidelijke spanningsboog.

Klappen

In het eerste verhaal 'De inwijding' is Henri een peuter die nog maar net kan lopen en wiens wereld, de tuin en het erf, onmetelijk schijnt. Ook zijn vertrouwen in de mensheid, dat wil vooralsnog zeggen: zijn ouders, is onbeperkt, tot hij van zijn vader de eerste klappen krijgt waarmee hem zijn plaats wordt gewezen. Het boek eindigt ook met klappen. De jongen zit dan in de eerste klas van de mulo en zal binnenkort de streek verlaten om naar het seminarie te gaan. Met de klappen die hij dan krijgt, verdrijven zijn vrienden hem uit het paradijs: “Hij had ervoor gekozen zich boven hen te verheffen. Dat was zijn eigenlijke verraad. (-) Die ochtend hadden ze hem uitgestoten.”

In de tussenliggende verhalen vergroot het kind beetje bij beetje zijn gebied: het driewielertje waarop hij de tuin doorkruist wordt vervangen door een kinderfietsje waarop hij het dorp verkent en als schooljongen struint hij al gauw de wijde omgeving af om te vissen, salamanders te vangen en op te gaan in een vertrouwd jongensuniversum waar hij heer en meester is.

Mikkers vertelt De kleine jongen en de rivier consequent vanuit het perspectief van Henri, die als het ware met zijn omgeving meegroeit: de ruimte waarin hij zich beweegt wordt steeds groter, maar lijkt als vanouds onmetelijk. Hoe kneuterig het dorp wellicht ook is en hoe verstikkend ongetwijfeld het provinciale, cultuurloze milieu waarin hij geboren is, in de ogen van het kind staat zijn omgeving voor de hele wereld, waarin alles te ontdekken en alles te beleven valt. Tegen het eind van het boek is het territorium echter afgebakend, de grenzen van wat onbegrensd leek, komen in zicht en nu blijkt dat ieder nieuw stukje wereld dat veroverd werd ook een afscheid inhield omdat expansiedrift onverbiddellijk op breuken aanstuurt.

De landelijke sfeer die Mikkers oproept - de stilte, mistige herfstochtenden, norse boeren en jongens die op hun klompen het koren vertrappen en dorpsstraten onveilig maken - is idyllisch maar niet bestendig.

Gelukkig toont Mikkers de nodige terughoudendheid in het uitmeten van plattelandsromantiek. Ondanks de vele dorpstaferelen en natuurbeschrijvingen, draait het boek om Henri die, hoewel verstoken van een moeilijke jeugd en een al te gecompliceerd karakter, blijft boeien. Dat laatste is vooral te danken aan Mikkers mooie observaties, zijn gevoel voor detail en zijn geserreerde stijl. En ook al is het niet raadzaam de verhalen los van elkaar te lezen, er zijn er een paar die er uitspringen. 'Een fluwelen ooropslag', waarin de meester van de jongensschool gek wordt en voor de klas in elkaar stort, terwijl Henri onverklaarbare, bijna verliefde gevoelens koestert voor een nieuwe medeleerling is er zo een. Het territorium dat de jongen in dit verhaal verkent - dat van de menselijke psyche - verovert hij niet.