In gevecht met de platneuzen; Onorthodoxe reisroman van Willem Brakman

Willem Brakman: Late vereffening. Uitg. Querido, 163 blz. Prijs ƒ 29,90.

Voor een auteur die de reputatie heeft ontoegankelijk te zijn, is Willem Brakman soms opvallend uitleggerig. Niet alleen in zijn essaybundel Een wak in het kroos; ook de roman Late vereffening telt tal van passages waarin Brakman - impliciet en expliciet - zijn ideeën ontvouwt. Soms zijn dat bijna polemische teksten. Ook al komen ze uit de mond van de Brakman geheten verteller en zijn ze gesteld in Brakmans vertrouwde geheimtaal, ze laten er geen misverstand over bestaan dat ze een in filosofische en literaire zin vijandige mentaliteit op de hak nemen.

De ene keer heten de tegenstanders 'de platneuzen' omdat zij 'alles direct willen herleiden tot iets bekends'. Dan weer worden ze 'knotwilgen' genoemd of 'feitelijken': 'Ik noteer bij hen een tergend onvermogen, zelfs als uur en plaats meer dan gunstig zijn, iets nog als geestelijk waar te nemen.' De kritiek wordt doorgaans voorzien van het advies kordaat tegen de vijand op te treden. 'Het ware goed zulken op straat niet te groeten.' Of: 'Het verdient aanbeveling, als het zo uitkomt en niet tot al te grote commoties voert, hiertegen een krachtig “poe!...” te roepen.'

Over de mentaliteit die wel deugt, is de oubollige Bromsnor die de verteller in deze passages is, al even duidelijk. Tegenover idealen als nut en doelmatigheid - 'het vervloekt volwassene', heet 't in Late vereffening - stelt hij de verstrooide, vermeend kinderlijke blik. Die kijkt onafgebroken rond in 'het hemelrijk van het eigen hoofd', zweeft door tijd en ruimte, negeert wat volgens de goegemeente belangrijk is en verheft het onbelangrijke tot het wezenlijke.

Een lekkere taart, bijvoorbeeld, groeit in Late vereffening uit tot een ontzagwekkend kunstwerk met zoveel geur en smaak als woorden maar kunnen voortbrengen. Het genieten van de taart wordt in de bewuste passage een 'onmiddellijke, in geen reflectie opgaande ervaring' genoemd. Dit is dus geen gewone taart meer, dit is een metafoor. Die taart is het ideale proza dat de auteur Brakman voor ogen heeft.

Late vereffening is Brakmans zoveelste poging dat ideaal te bereiken in de vorm van een onorthodoxe historische (reis)roman. Het boek is zoals alle Brakmans moeilijk samen te vatten, maar speelt zich in elk geval af aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog. De vader van de verteller is op reis gestuurd door de Lage Landen met een geheimzinnige brief, waarvan de inhoud niet echt ter zake doet. De brief is een soort estafettestokje: hij brengt de vader van vreemde figuur naar vreemde figuur.

Toverbol

De verteller leest over vaders belevenissen - die voortborduren op Brakmans debuut Een winterreis - in het tweede deel van een familiekroniek, de Aanvulling. De illusie van een betrouwbaar, feitelijk beeld van vaders reis wordt al snel onderuit gehaald. In de eerste plaats telt de roman twéé vertellers: die van de Aanvulling en de zoon. Beiden becommentariëren de reis, waarbij de zoon ook het commentaar van de eerste verteller van aantekeningen voorziet. Het is alsof je met hen aan tafel zit en in een toverbol kijkt: je ziet geluidloze, geheimzinnige taferelen en luistert naar twee vertellers die door elkaar heen praten.

Beide vertellers hebben bovendien weinig oog voor de historische aspecten van vaders reis, die zich als in een vage, maar omineuze droom voltrekt. Op de achtergrond komt, bijvoorbeeld, de oorlog steeds dichterbij, zonder dat de vader zich dat volledig bewust is. Ook de vertellers besteden er weinig aandacht aan. De dreiging en de angst - de 'bibber en huiver' - waarvan in de roman telkens sprake is, zou net zo goed de apocalyps kunnen zijn of de dood.

Net als de vader verliezen de vertellers zich met graagte in details: zoals de vader door de Lage Landen zwalkt zonder in de gebeurtenissen in te grijpen, zo zwalken de twee vertellers van poëtisch detail naar poëtisch detail. Heel langzaam ontstaat een gelaagd, gecompliceerd beeld van 'het hemelrijk' van vaders hoofd. Daar lijkt het met name de zoon ook om te doen: naast zichzelf leert hij langs deze - irrationele - weg zijn vader kennen. In deze 'geheimzinnige wanorde' schept Brakman junior, zoals dat aan het begin van de roman genoemd wordt, 'een oog-in-oog' met Brakman senior - 'die spookachtige gestalte in mij'.

In eerdergenoemde taart-metafoor zat tevens een instructie verstopt: hoe met Brakmans romans om te gaan. De lezer moet ze net als die taart genieten, ondergaan als een bijna mystieke - want 'in geen reflectie opgaande' - ervaring. De platneus, de knotwilg en de feitelijke eten een gebakje, de Brakmanniaan wordt geacht al happend God te zien. Vandaar dat er rond Brakman een kleine cultus is ontstaan: je kunt zijn ene roman niet zozo vinden en de andere veel beter. Je gelooft in hem of niet; wie niet voor hem is, is tegen hem.

Dat is een mooie, van bezetenheid getuigende taak die de auteur zichzelf en de lezer stelt. Maar wat mij betreft staan bij Brakman tussen lezen en ervaring te veel dingen in de weg. Nare woorden, vooral. Wie Brakman leest, gaat erg naar Bordewijk verlangen. Termen als 'platneus' en 'knotwilg' kan ik niet lezen zonder plaatsvervangende schaamte, en hetzelfde geldt voor de stroom verkleinwoordjes in zijn boeken. Tafeltje, kamertje, op z'n gemakje, pafjes, gaapje, giecheltje - het houdt niet op.

Ook andere stijlelementen verhinderen mij in Brakmans wereld op te gaan: zijn verbale pronkzucht, met name. Hij schrijft usance als hij gewoonte bedoelt, invite in plaats van uitnodiging, 'stromende giet' als het hard regent en noemt de dood 'de Grote Bam'. Over een oeuvre dat overduidelijk wortelt in een diepe melancholie, legt Brakman zo een deken van onbegrijpelijke kneuterigheid. Gezelligheid als schild: zelfs het 'knapperend' haardvuur ontbreekt in Late vereffening niet.