In de verte een dreunend 'whoemp'; Stoere novellen van Inigo Meerman

Inigo Meerman: Donatello en Moerlemei. Twee novellen. Uitg. Contact, 246 blz. Prijs ƒ 34,90.

'En dan: wat is natuur nog in dit land?' schamperde J.C. Bloem in zijn beroemde gedicht over de Dapperstraat. Sinds 1945, toen hij deze regel schreef, is het er vast niet beter op geworden, maar Inigo Meerman weet in zijn novelle Moerlemei uit de restanten onbedorven platteland nog heel wat lyriek te halen. Vooral aan wat hier het 'onland' wordt genoemd, onbewerkte, moerassige grond, wijdt hij mooi geheimzinnige, aan de Hamelink van Het plantaardig bewind en Ranonkel herinnerende passages:

'Aan de overkant van de baan lag het onland gekooid achter grillig traliewerk, iets wat beter met rust gelaten kon worden', mijmert de hoofdpersoon. 'In de zomer was de rotte adem van de zomp vol geulen, riet, kreupelhout, vlier, els en buntgras bij vlagen aan komen waaien. (-) Pas langzamerhand was hij zich gaan realiseren dat het gebied meer zintuigen bespeelde dan de reuk alleen. Gekwaak, ver weg een dreunend 'whoemp', iets tussen een loeiende koe en een misthoorn, hees geroep, het klonk als 'aark': allerlei onzichtbaars liet van zich horen. Andere keren drong het beter thuis te brengen geluid van scholeksters, futen en kokmeeuwen tot hem door.'

Net als Robert Anker in Volledig ontstemde piano laat Meerman zijn personages zich bezinnen op de verschillen tussen stads- en dorpsleven. Maar waar bij Anker het harmonieuze dorpsbestaan tot de voorgoed verleden tijd is gaan behoren, daar leeft het bij Meerman nog even voort, in zelfverzonnen gehuchten als Ouwermarkt en Zandwijk. Bovendien laat hij zijn hoofdpersoon ondubbelzinnig kiezen voor een eenvoudig boerenbestaan en tegen de stad 'met haar laffe gemakzucht en zielige restanten natuur'.

Een simpele streeknovelle is Moerlemei intussen niet. Aan alles is te zien - de onverhoedse perspectiefwisselingen, de associatieve manier van vertellen, de vele, ietwat verwarrende doorbrekingen van de chronologie - dat de schrijver, zoals de flaptekst meldt, niet alleen paardenfokker is, maar ook neerlandicus. Meerman is thuis in verschillende onderwerpen en jargons. Of hij het nu heeft over peuterspeelzalen, de bijstand, in-vitrofertilisatie of over paarden en andere dieren, hij wekt steeds de indruk op vertrouwd terrein te zijn. Hij is van alle markten thuis en weet hoe je zulke uiteenlopende types als criminele randgroepjongeren, stugge boeren, verwaande academici, eenzelvige jongetjes, nerveuze moeders en achterbuurtbewoners moet laten praten en doen.

Hard en nors

De toon van Moerlemei en van de kortere novelle die eraan voorafgaat, Donatello, is hard en nors, en dat gold ook al voor de verhalenbundel Voetjacht, waarmee hij in 1991 debuteerde. De taal is stoer, bij het krachtpatserige af. Er figureren de nodige 'wijven' in zijn verhalen, al of niet vergezeld van 'koters', en ook 'mokkels', 'watjes', een 'smoelsmid' en een boerin met een 'flinke bos hout voor de deur'. Voor sinistere accenten zorgen een onbetrouwbare pitbull, een verdonkeremaand lijk en een mismaakt meisje met een rood jasje, dat fungeert als een Don't look now-achtig spook. Ook in Donatello, dat zich afspeelt in een iets grotere provincieplaats, heerst een broeierige atmosfeer. Een vroegwijs jongetje van een jaar of zes voert verkenningstochten uit in de aan zijn nette straat grenzende, verpauperde volksbuurt; ook een soort onland, waarvan veel dreiging uitgaat voor de beschaafde omwonenden.

Meerman legt zich toe op vastgelopen levens, op mislukte huwelijken, wankele vriendschappen, op ongelukkigen die zich het leven benemen omdat ze te oud voor de liefde menen te zijn, op aan de drank geraakte kermisklanten en in het algemeen op mensen die niet willen passen in het gareel, of die het leven niet aankunnen.

Zijn verhalen zijn onderhoudend en maken een doorleefde indruk, maar tegelijk hebben ze ook iets onbeholpens en overijverigs, omdat ze zo graag literair willen zijn, maar ook weer niet teveel aan de verbeelding van de lezer willen overlaten. Meerman is een vlotte verteller met veel fantasie, maar hij weet niet goed van ophouden. Hij is te kwistig met details, en sleept er te veel bij. Geen figuur zo onbeduidend, of hij of zij wordt wel voorzien van een achtergrond. Geen gebeurtenis, hoe onbetekenend ook voor het verhaal, of zij wordt breed uitgemeten. Een harde kern ontbreekt, een middelpunt van waaruit de gebeurtenissen oprijzen en waarin ze tenslotte ook weer kunnen verzinken.

Wat het proza van Meerman toch nog voldoende bij elkaar houdt, is het intrigerende idee van het dreigende onland, dat de personages in zijn greep houdt, of het nu zichtbaar is als moerasgrond, of als achterbuurt, of zich onzichtbaar opdringt uit het onderbewuste, uit wat je de onontgonnen menselijke natuur zou kunnen noemen.