'Hulp EU aan Oosteuropese boeren door prijsgaranties'

BRUSSEL, 17 JUNI. De Europese Unie moet de landen in Midden-en Oost-Europa snel te hulp schieten bij het poten zetten van een efficiënt landbouwbeleid. De voedselproduktie is drastisch ontregeld, en alleen als de boeren kunnen rekenen op stabiele prijzen kan de agrarische sector in die landen weer gezond worden.

Dat staat in een rapport over de relatie tussen de EU en de Midden- en Oosteuropese landen dat twee landbouwdeskundigen hebben opgesteld op verzoek van de Europese Commissie. De betrokken landen - Polen, Hongarije, Bulgarije, Tsechië, Slowakije en Roemenië - zullen naar verwachting eind van deze eeuw, begin volgende eeuw toetreden tot de EU.

Om die uitbreiding zonder problemen te doen verlopen, is het zaak om snel te beginnen met de herstructurering van de landbouw in die landen, schrijven de Franse oud-minister van landbouw, Henri Nallet, en de Nederlandse ondernemer Adriaan P. van Stolk. De EU kan volgens hen niet blijven toekijken hoe de landbouw in die landen steeds verder verslechtert. “Dat is te gevaarlijk voor de stabiliteit daar en voor de relaties met de EU”.

Volgens de twee deskundigen moet prioriteit worden gegeven aan de invoering van een prijsgarantiesysteem, dat boeren verzekert van een minimumopbrengst voor hun produkten. Prijsondersteuning vormt ook de kern van de Europese landbouwbeleid maar in het verleden is het minimumniveau te hoog vastgesteld, zodat de boeren alleen voor de subsidies gingen produceren. Die fout moet niet worden herhaald, aldus Nallet en Van Stolk. Ze pleiten daarom voor een minimumprijzen die net voldoende zijn om de basiskosten (aanschaf machines, zaaigoed, kunstmest en dergelijke) te compenseren.

Invoering van een prijsgarantiesysteem (voor onder andere tarwe, suiker en melk) in de betrokken zes land kost naar schatting maximaal 2 miljard gulden per jaar. Nallet en Van Stolk laten doorschemeren dat ook Brussel zijn bijdrage in de kosten moet leveren. Een deel van het geld zou uit de bestaande hulpprogramma's voor Midden-en Oost-Europa kunnen komen.

Na het wegvallen van de oude structuren onder het communistische regime zijn de meeste boeren in een uitzichtsloze situatie terecht gekomen. Gebrek aan koopkracht doet de vraag steeds verder inkrimpen. Toeleveranciers zijn weggevallen. En er is geen of nauwelijk geld om te investeren in modernisering. Tussen 1988 en 1992 daalde de landbouwproduktie in de landen met zo'n 30 procent.

Daarom pleiten Nallet en Van Stolk voor de oprichting van 'grondbanken'. Daar zouden de boeren terecht kunnen voor leningen, mogelijk met hun grond als onderpand. De 'grondbanken' kunnen ook een belangrijke rol spelen in het tegengaan van de enorme versnippering van het landbouwareaal, als gevolg van de doorgezette privatisering waarbij de vroegere eigenaren hun bezit weer komen opeisen. Op die manier is sprake van “verpulvering” van de landbouwsector. 'Grondbanken' zouden stukken land kunnen opkopen en in grotere stukken weer kunnen verkopen.

In hun glasheldere rapport rekenen Nallet en Van Stolk af met het angstbeeld dat de EU overspoeld wordt met goedkope landbouwprodukten. Door de ineenstorting van de landbouw in Centraal Europa doet zich in feite de omgekeerde ontwikkeling voor. Niet alleen is de agrarische export van de EU naar de zes genoemde landen de afgelopen jaren sneller gestegen dan de import, sinds vorig jaar heeft de EU zelfs een absoluut overschot in de voedselhandel met de Oosteuropese landen. “In Sofia was het voor ons gemakkelijker om kaas uit Nederland of Frankrijk te vinden dan produkten uit Bulgarije zelf”, aldus Nallet in een toelichting.

Beide deskundigen concluderen dat de Oosteuropese boeren voorlopig meer last hebben van de Westeuropese boeren dan andersom. De oplossingen moeten in de eerste plaats in de zes landen zelf worden gevonden. Een verdere opening van de EU-markt biedt weinig soelaas, omdat de bestaande mogelijkheden voor export naar de EU nog lang niet ten volle benut worden. Volgens Nallet en Van Stolk zal het nog jaren duren totdat de de Oosteuropese landen de achterstand hebben ingehaald en zich als grote exporteurs op de wereldmarkt kunnen manifesteren.