Een wereld zonder individuen; Nederlands handboek van de Chinese filosofie

Karel van der Leeuw: Het Chinese denken. Uitg. Boom, 376 blz. Prijs ƒ 49,50.

Eindelijk is er een goed eigentijds overzichtsboek in het Nederlands over Chinese filosofie. Tot nog toe heeft de Nederlandse lezer het moeten stellen met werken in vertaling en met verdienstelijke maar weinig systematische bronnen als Chineesche denkers van J.J.L. Duyvendak uit 1941 en de nog oudere werken van Henri Borel. Wellicht heeft de beschikbaarheid van standaardwerken in het Engels en Frans remmend gewerkt op de Nederlanders die een handboek hadden kunnen schrijven.

Karel van der Leeuw, verbonden aan de Faculteit der Wijsbegeerte van de Universiteit van Amsterdam, vond de bestaande werken te uitgebreid, onevenwichtig van opbouw, of verouderd. Hij heeft niet de pretentie een 'zeer originele visie' te bieden, maar geeft een overzicht dat voornamelijk op secundaire literatuur in westerse talen is gebaseerd.

Van der Leeuw is in deze opzet uitstekend geslaagd. Het boek is heel wat systematischer dan menige voorganger, zonder dat het vervalt in een opsomming van namen en jaartallen. In het eerste hoofdstuk worden grondbegrippen van de Chinese geschiedenis, maatschappij en godsdienst aangevuld met nuttige opmerkingen over taal, schrift, en het karakter van de Chinese filosofie. Daarna worden hoofdstukken gewijd aan de opeenvolgende perioden en scholen van de vroegste tijden tot ongeveer het begin van de twintigste eeuw. Elk hoofdstuk begint met een beknopt overzicht van de historische en maatschappelijke achtergrond van de desbetreffende periode en wordt afgesloten met een geannoteerde lijst van vertalingen en studies in westerse talen. De aanbevolen literatuur is goed gekozen; zelfs recente werken zijn opgenomen. De behandeling van individuele denkers wordt verlevendigd door biografische anekdotes, portretten en citaten uit hun werk.

Af en toe kloppen details niet en de vertalingen van Chinese termen zijn soms niet correct - bij voorbeeld, de vertaling van wu chi als 'niet-Uiterste' in plaats van 'zonder Uiterste'. Maar dit zijn schoonheidsfoutjes, die weinig effect hebben op Van der Leeuws heldere, informatieve behandeling van de materie.

Door het overzichtskarakter en omdat Van der Leeuw ernaar streeft om vooral de verscheidenheid van de Chinese filosofie goed te doen uitkomen, ontbreekt de synthese. Het is belangrijk om al deze denkers, scholen en begrippen de revue te laten passeren, maar als lezer ga je je afvragen: wat is de waarde ervan? Als het waar is dat de filosofie in China een belangrijkere plaats in het maatschappelijk leven innam dan in Europa, wat was dan de neerslag daarvan op het politieke, maatschappelijke en psychische leven van de Chinezen?

Van der Leeuws vergelijkingen met de Europese filosofie slaan vaak op formele overeenkomsten in de ontwikkelingsgeschiedenis van de filosofie, fundamentele inhoudelijke verschillen blijven nagenoeg onbesproken. Zoals het volstrekte ontbreken in de Chinese traditie van een begrip als de individuele persoon in westerse zin, die behalve (beperkte) maatschappelijke plichten ook verregaande rechten heeft, die een uniek zieleheil nastreeft en van wie het eigen geweten in sommige situaties zwaarder weegt dan 's lands wet.

Soms noemt Van der Leeuw zulke verschillen terloops maar werkt ze niet uit, zodat ze minder belangrijk lijken dan ze zijn. Het in China 'ontbreken van een onderscheid tussen feitelijke en morele kennis', bijvoorbeeld, blijft vandaag de dag zwaar drukken op de wereld van kunst, film en literatuur. Een van de redenen waarom zoveel hedendaagse Chinese films, romans en gedichten voor westerse begrippen nogal naïef aandoen, is juist omdat daarin zo weinig plaats is voor werkelijk aanvaarde morele ambivalentie. Het werk van de freudianen, modernisten en existentialisten heeft het westerse publiek allang vertrouwd gemaakt met het idee dat wijsheid en rijpheid heel wel samen kunnen gaan met slecht en verraderlijk gedrag, dat er in deze situatie geen verbetering te verwachten is en dat dat niemands schuld is.

Al met al zijn de vergelijkingen met het Westen de minst overtuigende passages van het boek en Van der Leeuws stelling dat 'oosters' denken 'meer op westers denken lijkt dan voor- en tegenstanders graag willen weten' zou ik willen aanvullen met: zolang het niet gaat over kosmologie, staatkunde, rechtspraak, ethica, religie, psychologie of esthetica. Maar binnen de beperkingen die Van der Leeuw zichzelf stelde, heeft hij goed werk geleverd. Een breed lezerspubliek zal hem dankbaar zijn.