Een afspraak met de brandweer; Uitslag scholierenwedstrijd 'De weg naar school'

Als een pas opgeleverde jeugdgevangenis, zo beschreef Max van Rooy zijn oude school in februari in een artikel over 'architectuur als voetstuk voor de herinnering'. Voor een opstelwedstrijd van de K.L. Poll Stichting voor Onderwijs, Kunst en Wetenschap becommentarieerden scholieren hun dagelijkse weg naar school. Een jury, bestaande uit de architecten Hannie en Aldo van Eyck en Liesbeth van der Pol, de schrijver K. Schippers en criticus Max van Rooy, koos de beste inzendingen.

Als er een gemeenschappelijke gevolgtrekking mag worden gemaakt uit de opstellen die de weg naar school beschrijven, dan is het deze: middelbare scholieren zijn beklagenswaardige wezens. Op een tijdstip dat ligt tussen 's morgens zes en acht uur schrikken zij zich een ongeluk van het schelle geluid van de grootste vijand der scholieren: de wekker. Heeft deze geklonken dan komen de leerlingen moeizaam overeind, inwendig vloekend en tierend dat er weer een schooldag wacht. In een van de opstellen stoot de ik-figuur bij het opstaan krachtig zijn hoofd tegen een zolderbalk, daarmee subtiel aangevend dat zijn tekst al in de eerste alinea over het opgegeven onderwerp, architectuur, handelt.

Na het ontwaken gaat maar een heel klein percentage van de scholieren onder een douche, zo valt te lezen, en snel worden een paar mechanische handelingen verricht die een vluchtige ontbijtritueel moeten voorstellen. De fiets staat doorgaans in een tuinschuurtje want de meeste opstelschrijvers wonen bij hun ouders in een rijtjeshuis met een tuintje, een huis waarmee ze overigens opvallend vaak redelijk tevreden zijn.

Nog steeds half bewusteloos van de slaap hijsen de scholieren zich dan op hun fiets en beginnen aan de weg naar school.

Ondanks de veelal belabberde conditie van de meeste jongens en meisjes op dit vroege uur, wordt de fietstocht, wat timing betreft, gereden met de precisie van een militaire operatie. De rit, ook al is deze vijftien kilometer lang, is minutenwerk.

Als het gedrag dat in de opstellen wordt tentoongespreid, representatief is voor de middelbare scholier in Nederland, dan komen alle fietsende leerlingen 's morgens op precies hetzelfde tijdstip bij de school aan, namelijk 1 minuut voor het luiden van de tweede bel. Theoretisch zou deze massale, gelijktijdige finish elke ochtend moeten leiden tot een kolossale chaos bij het fietsenhok in die ene minuut voordat de tweede bel gaat. Maar van een dergelijke veldslag is in de verslagen geen spoor terug te vinden.

In veel opstellen wordt de weg naar school letterlijk beschreven, de aard en de conditie van het wegdek, een stoep die zomaar ophoudt, de kruispunten, de stoplichten die natuurlijk altijd op rood staan, net zo goed als elke naar school fietsende leerling altijd en overal de wind tegen heeft.

Ook de richtingaanwijzing die in de opdracht, beschrijf 'de weg naar school', verborgen zit, heeft bijna iedereen letterlijk genomen. Vandaar de permanente haast, de obsessie met de tijd, de angst voor het te laat komen die de gemoederen van de voortjakkerende scholieren dusdanig beheerst, dat er nauwelijks tijd overblijft om meer dan oppervlakkig naar de omgeving te kijken.

Horloge

Op weg naar school staat de omgeving in dienst van de haast. Grethe de Vries (vijfde prijs) geeft daarvan een mooi voorbeeld. Zij schrijft: “Het is 10 over 8, want we zijn bij de brandweer. Op deze plek hebben m'n horloge, ik en de brandweer een afspraak. De brandweer zorgt ervoor dat ik op m'n horloge kijk. Als het 10 over 8 is, ben ik precies op schema. Ik kan dan rustig doorlopen en de 20 over 8-trein halen.”

Dit opstel werd overigens vooral onderscheiden voor de originele, luchtige wijze waarop een van de klemmendste vraagstukken in de architectuur en stedebouw in onze tijd wordt aangestipt, namelijk de eeuwige strijd tussen oude, gelouterde gebouwen en nieuwbouw. Met de zin “De Fransen zetten toch ook geen wolkenkrabber voor de Eiffeltoren” illustreert zij helder een architectonische misstand in Almelo.

Jessica Hacke (vierde prijs) begint haar opstel, dat elders op deze pagina is afgedrukt, met een beeld dat tijdens het zeer geanimeerde juryberaad door de schrijver K. Schippers met grote instemming werd voorgedragen aan zijn medejuryleden. Het ongewone van deze passage is dat Jessica Hacke het gewone kennelijk opvallend genoeg vond om het zorgvuldig te beschrijven. Want de jury heeft niet alleen gelet op de originaliteit van de observaties en de trefzekerheid van de analyse van alles waarmee de wegen naar school letterlijk en figuurlijk zijn geplaveid, maar ook op de stijl waarin die observaties en beweringen zijn opgeschreven.

In het verhaal van Jessica Hacke wordt, aan de hand van een verkapte liefdesgeschiedenis, een helder antwoord gegeven op de vraag of graffiti kunst is, of niet. Zij vindt het pure kunst, misschien vooral omdat de graffiti door de maker aan haar was opgedragen.

De meeste inzendingen waren afkomstig uit het noordoosten en zuiden van het land en beschrijven routes die door perifere gebieden voeren, gedeeltelijk platteland, gedeeltelijk buitenwijken van een dorp of kleine stad, rommelige industrieterreintjes en soms een park met moderne bedrijfsgebouwen. Eigenlijk het gemiddelde beeld van Nederland buiten de grote steden, waarin de brug over het water vaak niet alleen een praktische, maar ook een symbolische betekenis heeft. De derde prijswinnaar, Roelof Souman, beschrijft zo'n brug als een een scheiding tussen behoudzucht en vernieuwing, tussen dorp en stad, tussen ouderwets grijsgroen en modern blauw met geel. De schrijver woont in het dorp en gaat in de stad op school en fundeert de stelling 'Vernieuwen is iets waar aan de overkant makkelijker over wordt gedacht dan aan deze kant' met een paar stemmingsvolle beelden en de veronderstelling dat het bestaan van de nieuwe gebouwen, aan de kant van de stad, tijdelijk is. Daarmee wijst Souman op een van de wezenskenmerken van de moderne architectuur: tijdelijkheid.

Freddie Plaggenmarsch verdiende vooral met zijn slot-alinea een eervolle vermelding: “En zo loop ik nog geen minuut later bij mijn moeder de keuken in. En als ze, zoals altijd, vraagt: 'Hoe was het op school?' denk ik bij mezelf: 'Zal men mij ooit nog een keer vragen: hoe was het onderweg?' ”

De winnaars van de eerste en de tweede prijs geven beiden op een heel eigen wijze inzicht in de verbeelding. De vijftienjarige Klaas Jan Runia zet verrassend uiteen hoe de werkelijkheid door een sterke herinnering kan worden vervormd. En Yvonne Bakker vertelt in aanstekelijke, onbeschroomde meisjestaal wat haar bevalt en stoort op haar weg naar school. Bij haar is het kijken door de oppervlakte heen, de sensatie van de ervaring die volgt op de waarneming, bezig te ontluiken en dat maakte het lezen van haar opstel tot een aangename, ontspannende bezigheid.