Drie musea gebruiken kunstbunker als depot

STEENWIJKERWOLD, 17 JUNI. De kunstbunker Paasloo, in de Tweede Wereldoorlog gebouwd om grote Nederlandse kunstschatten veilig in op te bergen, herkreeg gisteren zijn oorspronkelijke functie. De Hannema- de Stuers Fundatie, het Drents en het Fries Museum namen het ronde gebouw met muren van vier tot negen meter dik in gebruik als depot.

Om die reden besloot de provincie Overijssel de verwaarloosde bunker in de bossen bij Steenwijkerwold vorig jaar voor sloop te behoeden. Ze kocht het voor 160.000 gulden van het Rijk en verhuurt het nu aan de drie instellingen. Zo'n 1100 vierkante meter 'rekruimte' biedt de bunker de musea. En die kunnen ze goed gebruiken, vertelt directeur A. Grondman van de Hannema-de Stuers Fundatie, die de helft van de bunkercapaciteit huurt. “We zijn er ontzettend blij mee.” De Hannema-de Stuers Fundatie, die een collectie beheert opgebouwd rond de erfenis van oud-Boymans directeur Hannema, heeft haar thuisbasis in kasteel Het Nijenhuis in het Overijsselse Heino. Tot op gisteren moest de alsmaar uitdijende collectie van de stichting opgeslagen worden op de zolders en in de kelders van het kasteel. “Dat is natuurlijk geen outillage voor kunst, zeker klimatologisch niet”, zegt Grondman. De stichting gaat Paasloo voornamelijk gebruiken als transito-depot.

Het Fries Museum en het Drents Museum zullen in Paasloo stukken opbergen die nog zelden tentoongesteld worden. Maar ook voor hen is de kunstbunker een geschenk uit de hemel, zo vertelt conservator G. Elzinga van het Fries Museum, die gisteren nog, wit gehandschoend, collectiestukken in de rekken ophing.

De provincie Overijssel heeft na aankoop van de kunstbunker nog enkele tonnen moeten investeren in herstel van het geheel, maar dat geld werd voornamelijk gestoken in restauratie van de bijgebouwen, waar vandalen hadden huisgehouden. Tot verbazing van de provincie en de nieuwe huurders hoefde er aan het binnenwerk en de klimatologische installatie van de bunker nauwelijks iets te gebeuren. Zelfs de rekken die gebruikt worden dateren nog uit de oorlogsjaren en zijn in perfecte staat. “Ja, we hebben mooi werk geleverd', vertelt niet weinig trots de 85-jarige A. Broekhuizen, die gisteren ook een kijkje kwam nemen. In 1942 was hij een van de bouwvakkers die de bunker (een ontwerp van Rijksbouwmeester Bremer) in een jaar tijd uit de grond stampten, nadat hij eerder al met dezelfde ploeg in de St. Pietersberg een kunstschuilplaats had gebouwd. Op 26 mei 1942 begon men in Paasloo te bouwen, al op 15 september vond het Straatje van Vermeer onderdak in het gebouw, dat toen overigens nog niet voltooid was. In Paasloo zouden uiteindelijk 3000 schilderijen uit belangrijke collecties als die van het Gemeentemuseum in Amsterdam en Den Haag, het Rijksmuseum Twenthe, het Koninklijk Penningkabinet en Koningin Wilhelmina de oorlog overleven. In zijn in 1946 geschreven boekje 'kunst in schuilkelders' zegt H.P. Baard, oud-directeur van het Frans Halsmuseum in Haarlem, dat het “een wonder mag heeten, dat het noodige ijzer en het materiaal voor het beton disponibel waren op een tijdstip, dat dit allerwegen door de bouwers van de vesting Europa werd gevorderd'. Het was de 'clandestiene medewerking van vele goede vaderlanders die zulks mogelijk heeft gemaakt', laat hij weten. Oud-timmerman Broekhuizen moet nog glimlachen als hij aan die dagen denkt: 'De Duitsers lieten zich nooit zien. D'r was niks geen controle. Ik was zelf onderduiker, maar ik had hier een goed kosthuis en ik werd nog betaald ook.'