De snor vloekt met de bovenlip; Parijse zelfportretten van Vincent van Gogh

In de twee jaar dat Vincent van Gogh in Parijs woonde schilderde hij 29 keer zichzelf. De doeken zijn niet bedoeld als zelfonderzoek, maar als studie. Van Gogh, die zelfportretten maakte omdat hij geen geld had om modellen te betalen, schilderde op karton of op de achterkant van andere schilderijen.

Tentoonstelling Vincent van Gogh: Parijse zelfportretten. T/m 9 okt. Van Gogh Museum, Paulus Potterstraat 7, Amsterdam. Dag 10-17u. Van Gogh Bulletin ƒ5,-.

Was hij zo lelijk als ze zeggen? Ik bekijk de vergeelde portretfoto van een achttienjarige jongen in zondags pak. Een vollemaansgezicht, bleek en zonder pukkels - die zijn althans niet van de korrelige opname af te lezen. Verder lange krullen, een oor dat daaronder uit flapt, zware uitstekende wenkbrauwen met donker beschaduwde ogen, een flinke mopsneus en een kwetsbaar gewelfde mond. Nee, in de foto herken ik geen van de omschrijvingen die vrienden en bekenden later van Vincent van Gogh gaven. Een lelijk gezicht had hij, ontsierd door zomersproeten beweren ze, samengeknepen ogen, een scheve mond en steil piekhaar - wanneer heeft hij dat in vredesnaam gekregen?

'La tristesse durera toujours' zou Vincent vlak voor zijn dood aan zijn broer Theo zeggen. Het leven was zwaar voor Van Gogh en wie zijn zelfportretten kent - in totaal schilderde hij er zo'n 35 - is geneigd die zwaarte daaraan af te lezen. Honger, kou, ziekte en twijfel hebben hun sporen nagelaten. De eerste portretten die Vincent van zichzelf schildert, vlak nadat hij in maart 1886 in Parijs is gearriveerd, laten een iel mannetje zien met een spitse snoet, het rossige haar in stekels geknipt. Het vlees uit zijn jonge jaren is zoek.

Het Van Gogh Museum toont voor het eerst ruim twintig zelfportretten bij elkaar die Van Gogh in zijn Parijse periode (tussen 1866 en 1888) maakte.

Ze worden aangevuld met portretten die zijn vrienden Gauguin, Toulouse-Lautrec en Bernard van hem schilderden. De zelfportretten zijn min of meer chronologisch gerangschikt, maar een nauwkeuriger datering dan 'lente/zomer 1886' of 'zomer 1887' is meestal niet te geven. Vincent woonde in Parijs samen met Theo, dus de noodzaak om in brieven verslag te doen van wat hij schilderde bestond niet.

Parijs is cruciaal voor Van Goghs ontwikkeling. De Antwerpse Rue des Images maakt plaats voor 'de zee van Parijs', de Vlaamse plasregens voor de 'Franse lucht die de geest verfrist'. Wist hij in Antwerpen niet eens wat impressionisten waren, in Parijs ziet Van Gogh hun schilderijen in overvloed en henzelf in levenden lijve. Degas en Monet bewondert hij, maar gefascineerd raakt hij pas door de ware modernen: Gauguin en Signac.

In een onwaarschijnlijk snel tempo slaat Van Gogh aan het experimenteren, zich bewust van het feit dat wat hij altijd als helder en modern beschouwde, in avantgardistische kringen als ouderwets en provinciaals geldt. Hij maakt onder meer smeuïge bloemstillevens in de trant van Monticelli, schildert boulevards met een losse impressionistische toets, en pointillistische landschappen die hij van Signac afkijkt. Het donkere palet uit z'n Nuenense tijd gaat de stofkast in, 'in kleur het leven zoeken' wordt zijn doel.

Behalve landschappen, stillevens en bloemstillevens, schildert Van Gogh in de twee jaar dat hij in Parijs woont 29 keer zichzelf: dat is iets vaker dan een keer per maand. Het is verleidelijk om deze portretten psychologisch te duiden. Maar dat is niet terecht. Op één uitzondering na, het sombere Zelfportret achter de ezel dat Van Gogh aan de vooravond van zijn vertrek naar Arles schildert en dat hij zelf als geslaagd omschrijft, is geen van deze doeken bedoeld als uitdrukking van zelfonderzoek. Van Gogh schildert zichzelf uit geldgebrek, omdat hij geen andere modellen kan betalen. Oefenen gebeurt dus op z'n eigen hoofd. Hij schildert het op karton, op piepklein schilderslinnen of op de achterkant van andere schilderijen.

Oplichtende eitjes

In het Van Gogh Museum zijn zes van deze laatste voorbeelden te zien. Een studie voor De Aardappeleters, een vogelnest met twee oplichtende eitjes en stillevens met flessen - allemaal uit zijn Nuenense tijd - moesten het uit armoe ontgelden en zijn aan de achterkant beschilderd met de kunstenaar zelf. Op hun kant of op hun kop staan de oorspronkelijke voorstellingen tentoon in vitrines. Oud en nieuw zijn van voor en van achter te bekijken.

Het is aandoenlijk om te zien hoe Van Gogh in deze zes dubbelschilderijen met het moderne, heldere kleuridioom worstelt. Met opzet beschilderde hij het linnen eerst met een egale dekkende koperbruine ondergrond, voordat hij aan het portret begon. Tegen een lichte achtergrond doen kleuren immers al snel licht aan. De voor impressionisten ongebruikelijk donkere kleur dwong hem op zoek te gaan naar felle kleurcontrasten, feller dan hij ooit daarvoor had gebruikt.

In het begin, in 1886, gaat het kleurcontrast niet verder dan een streep wit oplichtende boord met een toefje citroengeel boven een zwarte overjas. De huid is goudkleurig en gaat zonder interruptie over in de roestbruine baard en haren. Het portret is naturalistisch en donker. Maar een jaar later al krijgen licht en kleur de overhand, en gaat het penseel onbekommerd z'n eigen weg. Met tekenachtige streken zet Van Gogh z'n vergeet-me-nietjes-blauwe schilderskiel af tegen de bruine ondergrond, het oranjebruin van de snor laat hij vloeken tegen een knalrode bovenlip, en waarom zou geel niet met blauw stekelhaar mogen concurreren? Het meest experimentele portret - met strohoed en onafscheidelijke pijp - is uit dezelfde zomer van 1887. Met hoekige, nerveuze strepen heeft de schilder zichzelf starend richting kijker afgebeeld. Diepte ontbreekt vrijwel. Het voluptueuze olijfgroen van de rechter-oogkas naast het vleugje groen van de linker- suggeréért alleen de slagschaduw die zijn strogele zonnehoed veroorzaakt.

Zoals gezegd waren de zelfportretten vooral bedoeld als stilistische oefeningen en ontstonden ze in een periode dat Van Gogh de richting van het post-impressionisme insloeg. Toch besteedt de tentoonstelling daar nauwelijks aandacht aan. Dat is vreemd en jammer. Er wordt wel gesproken over de kleren die Van Gogh draagt en de hoeden die hij opzet, maar ik vraag me af waarom. Juist bij deze experimenten is het onbelangrijk of de kunstenaar zich als bourgeois, als eenvoudige kunstenaar of mondaine stedeling wilde afbeelden. Interessanter zou zijn geweest verbanden te leggen met andere werken die in dezelfde jaren ontstonden. In bloemstillevens bijvoorbeeld, ontwikkelde hij zich ook van een grauw getoonzet schilder tot een moderne colorist. Kijk maar naar zijn Stilleven met frittilaria's (april/mei 1887), waarin de complementaire kleuren van de bloemen tegen een blauw pointillistische achtergrond staan.

Van Goghs zelfportretten in Parijs zijn artistiek verre van volmaakt en ze vertonen nog niet die uitgesproken kleurcontrasten die bijvoorbeeld zijn Zuidfranse zelfportret uit januari 1889 - met het kapotgesneden oor - kenmerken. Of de zelfportretten uiterlijk op Van Gogh lijken is de vraag. Zelf vond hij dat niet belangrijk. Hij wilde het karakter van een geportretteerde niet fotografisch nabootsen. Een terugwijkende kin, een peervormig achterhoofd en twee verschillende ogen kunnen best een prachtige studie in karakter en kleur opleveren.