De smaak van Tabori

Mijn vader was getrouwd met mijn moeder, maar hij hield van Ingrid Bergman. Op een avond in de zomer van 1984 ontdekte hij in de bar van hotel am Lietzensee in Berlijn een vrouw die zo sprekend op de jonge Ingrid Bergman leek, dat hij mij opdracht gaf haar wat te drinken aan te bieden. Dat deed ik, want anders was ik voor lapzwans uitgemaakt.

Ze was in gezelschap van een oude man met een baard en een pet en wallen, alsof hij sinds zijn jeugd de slaap had overgeslagen. Ze aten popcorn en allebei wilden ze whisky. De man zei: “Ik was op de verjaardag van mijn vriend. We waren met zijn tienen en er stond een armzalig bakje chips op tafel. We konden onze eetlust nauwelijks bedwingen. Om zeven uur vroeg zijn vrouw: 'Kan ik de kip al binnenbrengen?' 'Nog een paar minuten,' antwoordde hij. Met vochtige vingers aten we de allerlaatste chips. Eindelijk om elf uur kwam zijn vrouw terug. 'Breng de kip maar,' zei hij. De magerste kip die ik ooit in mijn leven heb gezien werd binnengebracht. Ze werd op tafel gezet, kakelde wat, en pikte de kruimeltjes op die wij hadden laten liggen. Toen de tafel schoon was werd de kip weer naar buiten gebracht.”

De man draaide zich naar mij om en zei: “Ik heet George Tabori en zeg tegen je vader dat hij mijn vrouw met rust laat.”

In het CS van verleden week schreef André Spoor dat Tabori's oeuvre wemelt van passages waarin alle criteria van goede smaak overboord zijn gegooid. Herman de Coninck schreef eens dat poëzie gaat over hoe je moet leren verliezen. Een vrouw, je jeugd, je leven. Waarschijnlijk gaat alle literatuur over leren verliezen. En zoals bekend, heeft leren verliezen met goede smaak niets te maken.