De illusie en het stof

Bardamu, de held van Céline's Reis naar het einde van de nacht, wordt in New York door een piccolo naar zijn hotelkamer gebracht. Het is een lange tocht, in hoog tempo door schemerige gangen, langs honderden gesloten deuren, de bediende voorop met het valiesje van de Franse gast, alsof ze geen tijd te verliezen hebben op hun weg naar 'het Naamloze in de duisternis.' De kamer is een grote zwarte kist verlicht door een groen lampje; vlak langs het raam rammelt, raast en klettert over het roestige viaduct iedere vijf minuten een trein van de elevated.

Die episode is een reisverhaal op zichzelf, het verslag van een kleine voettocht door de stille hel van een oud Amerikaans hotel. Edward Hopper heeft zulke omgevingen geschilderd en Edward Kienholz heeft er een in drie dimensies gemaakt, het Pedicord Apts. Het bestaat uit een entree met een plastic kamerplant en een dichtgemetselde openhaard en een gang waarop aan weerskanten drie deuren uitkomen. Die zijn op slot. De bezoekers hebben vrij toegang tot de gang en kunnen aan de deuren luisteren. Achter de eerste blaft een hond die daar kennelijk door de baas is opgesloten, achter de tweede sleept zich een echtelijke ruzie voort, in de volgende kamer is iemand aan het huilen en ertegenover brengt de televie een pretprogramma. De kunstliefhebbers staan in de rij om hun oor tegen de deur te drukken. Dit geheel deed me, toen ik het een jaar of vijf geleden zag, denken aan de snelle wandeling van Bardamu achter de piccolo aan.

Kienholz, vorige week gestorven, heeft veel verklaringen veroorzaakt. Er zijn critici die in zijn werk een 'aanklacht tegen de leegheid van het moderne leven' zien; ze hebben er sociale bewogenheid in ontdekt, een hoog gehalte aan engagement, en dit op zijn Amerikaans: een vorm van verzet tegen de airconditioned nightmare. Het kan waar zijn. In Europa is nooit iets gemaakt wat op het werk van Kienholz lijkt. Maar je hoeft Amerika niet te kennen om iets anders in zijn werk te ontdekken. Hij heeft een nieuwe manier gevonden om te laten zien dat iedere illusie onherroepelijk onder het stof raakt. Stof is in alles wat hij heeft gemaakt zijn onmisbare materiaal.

Wie zich daarvan wil overtuigen, moet weer eens naar de Beanery in het Amsterdamse Stedelijk Museum gaan, de kroeg die hij in een grote doos, het formaat van een container, heeft gemaakt. Om voor dit stukje beter beslagen ten ijs te komen, ben ik daar gisteren weer eens binnengelopen. Dat de gasten klokken in plaats van hoofden op hun schouders hebben, dat achterin iemand dronken in slaap is gevallen, het opengeslagen telefoonboek, de vakantiekiekjes van de vaste klanten door de barman aan de muur geprikt - al die zorgvuldige bijzonderheden horen tot de vertrouwdheden waarop je bent gaan rekenen. Maar nu, voor het eerst (voorzover ik me herinner) heb ik op een andere manier naar de geluiden geluisterd, de muziek uit de jukebox en de gedempte geluidswolk die zich verdicht uit de gesprekken. Dat is geluid van bijna dertig jaar geleden, voortgebracht door echte stembanden. Alsof je Toetanchamon in zijn sarcofaag hoort praten.

Dit is één van de geheimen van Kienholz: de combinatie van het geluid dat in verre seconden is voortgebracht met de personen of personages van zijn ontwerp die dat geluid 'voor altijd' vertegenwoordigen. De meeste gesprekken, en zeker de meeste kroeggesprekken, worden geschraagd door de illusie dat er nog een ruime toekomst is. Bij Kienholz is ook het geluid bestoft geraakt. Dat is de manier waarop hij de vergankelijkheid duidelijk heeft gemaakt.

Terwijl ik, na mijn bezoek aan de Beanery, zat te verzinnen hoe ik dat zou moeten opschrijven, klonk op de gang, vlak om de hoek van mijn kamer, een sopraan. Haar stem kwam uit het luidsprekertje van een cassetterecorder, haar lied was omstreeks 1920 opgenomen. De stem van Aaltje Noordewier, door de ruis en alle gebreken van de techniek heen, helder en mooi. Een liefhebber had de oude opname van een ebonieten Columbiaplaat op een bandje overgebracht. Er klonk een stem waarvan de illusie niet door het stof verdwenen of beschadigd was. Onbereikbaar, niettemin aanwezig. Dat is de manier waarop Kienholz zich met de vergankelijkheid heeft gemeten.

Het zelfportret dat hierbij staat, heeft hij in 1970 voor de Amsterdamse kunstenaar Frank Lodeizen gemaakt. Lodeizen heeft de ets weer voor mij afgedrukt en met zijn toestemming staat hij nu in de krant.