De C. Buddingh' Prijs voor nieuwe Nederlandse poëzie; Het rekenen en het rijmen van drie nieuwe dichters

Lucas Hüsgen wil 'wonderlijke boeken' schrijven, L.F. Rosen zet een verzameling 'moeilijke kinderen' op de wereld en Frans van Dixhoorn noemt zijn gedichten 'gedichtjes'. Alle drie debuteerden ze het afgelopen jaar. Hun dichtbundels zijn nu genomineerd voor de C. Buddingh' Prijs voor nieuwe Nederlandse poëzie. De jury, bestaande uit Simon Vinkenoog, Rein Bloem en Gerrit Kouwenaar, zal zaterdag op Poetry International in de Rotterdamse Doelen de winnaar aanwijzen.

L.F. Rosen: Adel. Uitg. Van Oorschot, 56 blz. Prijs ƒ 24,90.

L.F. ROSEN: Ik houd van rijmverdoezeling

L.F. Rosen (pseudoniem van Leo van der Waal, 1953) werkt bij Van Gend & Loos, maar daar weten ze niet dat hij dichter is. Vijftien jaar geleden begon hij als zondagsdichter. Dit jaar verscheen in de Boekenweek de bundel Adel, zijn poëziedebuut. “Ik schreef m'n eerste gedichten toen ik 25 was, zonder me te oriënteren op de bestaande poëzie. Je doet zoiets, denkend dat je het wel kan. Maar toen dat tegenviel heb ik er wat handboeken bij genomen om de techniek onder de knie te krijgen. Het ambachtelijke werk heb ik vooral geleerd uit Lexicon der poëzie van Cees Buddingh'.”

Rosen publiceerde op zijn dertigste voor het eerst in De tweede ronde. “De tien gedichten die daar in stonden kregen meteen respons. Redacteur Marko Fondse, die ik als mijn ontdekker beschouw, zag er wel wat in. Ik heb in de loop der jaren ook werk gestuurd naar het Nieuw Wereld Tijdschrift en de laatste tijd bij uitzondering naar Tirade.”

Adel is een bundel met tamelijk toegankelijke en traditioneel ogende gedichten die vaak zijn opgebouwd uit meerdere drie- of vierregelige strofen, en met twee echte sonnetten. Aan de vorm besteedt Rosen vrij veel aandacht, al wordt zijn poëzie volgens hem vrijer en schrijft hij steeds minder vormvaste gedichten zoals sonnetten.

“Het kost vaak moeite de woorden op de juiste plaats te krijgen, vooral als je er rijm en metrum in stopt. In deze bundel is niet één gedicht waarin niet minimaal één zin op een andere rijmt. Dat valt alleen niet zo op doordat het verspringend rijm is. Ik houd van rijmverdoezeling. Rijm moet een hulpmiddel blijven en niet een doel, vind ik. De inhoud blijft toch het belangrijkste.”

De gedichten heeft hij gegroepeerd rondom drie thema's die in drie aparte afdelingen zijn ondergebracht: “Ik had een mengelmoes aan gedichten naar de uitgever opgestuurd. Pas later ontdekte ik dat er drie lijnen in aan te wijzen waren. Ik heb toen bewust drie afdelingen gemaakt zodat de thema's voor de lezer herkenbaarder zouden zijn.”

De thematiek van de eerste afdeling, getiteld 'Banden', staat het dichtst bij Rosen zelf en gaat over familiebanden. Een regelmatig terugkerende figuur is zijn vader die stierf toen Rosen vijf was.

De oudste herinnering aan zijn vader dateert van toen hij drie was. Hij beschrijft die in 'Merwede. Winter '56'. Een titel die verwijst naar de rivier waaraan hij in zijn jeugd heeft gewoond:

Dat hij daar in de verte stond, zijn armen had gespreid

bevreesd voor wakken als voor diepe dromen

dat kou van water de mond soms snoert

alsof er geen vervolg op zijn verhaal mag komen

- dat zo het eerste vaag besef van afstand kwam

dat de Merwede ook een plein kon zijn

waarop wij toch niet nader konden komen

dat ik hem niet groter, niet kleiner heb gezien

dan bezwerend op zijn roestige schaatsen

het maakt dat ik al zwierend over brede rivieren

met elk wak ook hem ontwijk sindsdien.

Het is, licht Rosen toe, een dierbaar gedicht waaraan hij veel tijd heeft besteed, een moeilijk kind om zo te zeggen. Wat hij erin heeft willen uitdrukken is het besef dat je vader buiten je staat, de eerste breuk tussen vader en kind.

Die breuk wordt definitief als de vader is gestorven, zoals blijkt uit 'Kleding' waarin het lijkt of hij tegelijk met het leger worden van zijn kleerkast meer naar de achtergrond verdwijnt. In het gedicht 'Met verlos' waarin de vader zich verstopt voor zijn kinderen, grijpt Rosen naar zijn zeggen vooruit op diens dood. Zo wordt de dood in zekere zin al door het verstoppen aangekondigd.

'Vorsten', de tweede afdeling in de bundel, bestaat uit een reeks portretten van uiteenlopende figuren. Naast kasteelheren en gefingeerde historische personen, komen er gewone mensen in voor. Telkens gaat het om bewonderde individuen zoals een boeienkoning, een kunstschilder, een dijkgraaf. Wat ze met elkaar gemeen hebben is zieleadel. “De manier,” aldus Rosen, “waarop mensen zich tegenover anderen gedragen kan een teken van adeldom zijn. 'Vorsten' kun je zien als een zoektocht naar de adeldom in de mens.”

De derde afdeling ten slotte heet 'Ideeën'. Het is een verzameling varia waarin het gaat om de vraag hoe de dichter staat tegenover het leven, godsdienst, dromen, mensen.

Hoewel Rosen geen concrete plannen heeft voor een tweede bundel, heeft hij al wel veel liggen: “Ik geloof niet dat mijn thematiek zal veranderen in de komende jaren, hoogstens de manier waarop ik mij uitdruk. Daarbij streef ik naar helderheid. Ik vind dat je best moeite mag doen voor een gedicht maar je moet het uiteindelijk wel kunnen begrijpen.”