De C. Buddingh' Prijs voor nieuwe Nederlandse poëzie; Het rekenen en het rijmen van drie nieuwe dichters

Lucas Hüsgen wil 'wonderlijke boeken' schrijven, L.F. Rosen zet een verzameling 'moeilijke kinderen' op de wereld en Frans van Dixhoorn noemt zijn gedichten 'gedichtjes'. Alle drie debuteerden ze het afgelopen jaar. Hun dichtbundels zijn nu genomineerd voor de C. Buddingh' Prijs voor nieuwe Nederlandse poëzie. De jury, bestaande uit Simon Vinkenoog, Rein Bloem en Gerrit Kouwenaar, zal zaterdag op Poetry International in de Rotterdamse Doelen de winnaar aanwijzen.

Frans van Dixhoorn: Jaagpad; Rust in de tent; Zwaluwen vooruit. Uitg. De Bezige Bij, 93 blz. Prijs ƒ 39,50.

FRANS VAN DIXHOORN: Ik gebruik de cadans van het tellen

Het poëziedebuut van Frans van Dixhoorn (1948) heeft maar liefst drie titels: Jaagpad; Rust in de tent; Zwaluwen vooruit. Hoewel het in feite afzonderlijke reeksen zijn - waarvan de eerste, Jaagpad, al eerder in een andere vorm bij uitgeverij Perdu verscheen - zijn de 'gedichtjes' zoals Van Dixhoorn ze nadrukkelijk noemt, te lezen als een continue gedachtenstroom. Observaties, overwegingen, indrukken en commentaren buitelen als een horde konijnen over elkaar heen. Samen vormen ze, naar hij zegt, zijn innerlijke monoloog.

De reeksen worden alle drie gekenmerkt door korte zinnen zonder interpunctie, sobere spreektaal (geen beeldspraak) en herhalingen van zinnen en alinea's. Het opvallendst is echter het telmechanisme: de zinnen worden vaak voorafgegaan door een cijfer, waarbij elke reeks zijn eigen telprincipe heeft. Jaagpad bij voorbeeld begint zo:

1. niettemin valt op

hoe rustig hier de bossen zijn

zo aan de voorkant te zien

2. tussen de bomen kom ik tot vier

steeds hetzelfde niet

vergelijkbaar

tussen de bomen kom ik tot vier

steeds hetzelfde niet

vergelijkbaar

zeker daarom van rechts

naar links een jas

en die wil je laten zien

laat maar zien

3. startplaats

4. ze zullen vandaag wel vertrekken

hij heeft hetzelfde aan

Van Dixhoorn: “Jaagpad is tussen 1981 en 1987 ontstaan toen ik in Middelburg woonde en vaak over het jaagpad naar Vlissingen fietste waar ik ben opgegroeid. Die tochten inspireerden mij tot een verzameling korte gedichtjes waarin het jaagpad als decor fungeert.

“Ik heb een paar van de gedichtjes afzonderlijk in Raster gepubliceerd, maar op een gegeven moment dacht ik, ik maak er een ding van en zet ze achter elkaar. Tot m'n verrassing merkte ik toen dat er een cadans in zat. Ik besloot de titels weg te halen. Maar omdat ik wel wilde aangeven dat het in wezen aparte gedichtjes waren heb ik ze genummerd. Het telmechanisme is uit die cadans voortgekomen.

“Ik gebruik de cadans van het tellen om ongelijksoortige zaken te ordenen. Mijn onderwerp is de gelijktijdigheid van veel dingen en niet het vertellen van een verhaaltje. In mijn werk komen bij voorbeeld wel beelden uit mijn jeugd voor, maar ik beschrijf niet mijn kinderwereld. Het gaat om nu, om de gedachten die ik op dit moment heb als ik op een bepaalde plaats ben. Ik moet weleens denken aan de schilderijen van Rob Birza: die werkt ook met transparante lagen waarin allerlei ongelijksoortige zaken zijn te herkennen.”

Frans van Dixhoorn is zelf ook schilder, zo maakte hij in de jaren zeventig een tijd lang gouaches. Tegenwoordig houdt hij zich vooral bezig met driedimensionale schilderijen en objets trouvés. De voorwerpen vindt hij vaak langs het strand. Van bij voorbeeld aangespoelde keggen - houten blokken waarmee scheepsladingen worden vastgebonden - maakt hij formaties, zoals het object 'telraam' dat hij in zijn Amsterdamse bovenwoning heeft staan.

Omdat hij sinds de publikatie van zijn gedichten zijn objectkunst enigszins heeft verwaarloosd wil hij zich de komende tijd weer wat meer op het beeldende werk richten. Toch is hij inmiddels aan een nieuwe reeks gedichten bezig. Zijn volgende bundel, zegt hij, zal ook uit drie reeksen bestaan want dat is een werkwijze die hem bevalt. Toch stelt hij met nadruk dat de vorm voor hem niet op de eerste plaats komt.

“Het lijkt misschien of het alleen maar vorm is bij mij en inderdaad heb ik daar lang naar gezocht. Zo staan op elke bladzij zestien regels. Als een gedichtje langer is breek ik het na zestien regels af en ga op de volgende bladzij verder. Die regels komen dan boven het volgende gedichtje dat ik ook weer moet afbreken. Als je die tekst met de eraan voorafgaande en de erop volgende regels zo op een pagina ziet lijkt het op een diaraampje. Ik wil tonen wat in beeld is en tegelijkertijd kun je, net als bij een echte dia, zien wat eromheen gebeurt. De gelijktijdigheid van dingen waar ik het over had, wil ik op die manier duidelijk maken. Maar dit alles betekent niet dat ik alleen maar plaatjes invul. Het gaat natuurlijk om wat er staat.”