De C. Buddingh' Prijs voor nieuwe Nederlandse poëzie; Het rekenen en het rijmen van drie nieuwe dichters

Lucas Hüsgen wil 'wonderlijke boeken' schrijven, L.F. Rosen zet een verzameling 'moeilijke kinderen' op de wereld en Frans van Dixhoorn noemt zijn gedichten 'gedichtjes'. Alle drie debuteerden ze het afgelopen jaar. Hun dichtbundels zijn nu genomineerd voor de C. Buddingh' Prijs voor nieuwe Nederlandse poëzie. De jury, bestaande uit Simon Vinkenoog, Rein Bloem en Gerrit Kouwenaar, zal zaterdag op Poetry International in de Rotterdamse Doelen de winnaar aanwijzen.

Lucas Hüsgen: Nevels orgel. Uitg. Querido, 48 blz. Prijs ƒ 27,50.

LUCAS HÜSGEN: Ik doe een aanslag op de lezer

Hij had het zich al vroeg voorgenomen: “later ga ik wonderlijke boeken schrijven.” Als jongetje van zeven vulde Lucas Hüsgen (1960) zijn eerste schriftje met verhalen over het circus. Op de middelbare school begon hij naast verhalen ook gedichten te schrijven. Zijn eerste publikatie verscheen in 1992 bij Querido: Zeehond in wormgat, een als prozagedicht aangeduide roman; het jaar daarna gaf dezelfde uitgeverij het grote gedicht Nevels orgel uit. Wie beide publikaties onder ogen krijgt moet vaststellen dat Hüsgen zich aan zijn voornemen heeft gehouden.

Nevels orgel (om het daartoe te beperken) is groots, hevig en duister - een vloedgolf die je meesleurt. In een eindeloze stroom dansen de regels over de bladzijden, allitererend, rijmend en weelderig. Aan beelden geen gebrek, al roepen ze meer vraagtekens op dan dat ze aanknopingspunten bieden.

Lucas Hüsgen, die zich na een onvoltooide filosofiestudie aan de universiteiten in Utrecht, Amsterdam en Nijmegen nu volledig aan het schrijven wijdt, kan zich voorstellen dat een lezer 'geschokt' raakt door zijn poëzie. Dat was zelfs zijn opzet toen hij eraan begon: “Ik wilde een groot opgezet gedicht schrijven dat een aanslag doet op de lezer en op mezelf als dichter. Het moest een gedicht worden waarin de kracht van het woord op een bijna zintuiglijke manier voelbaar is. Ik heb getracht de taal zodanig op te laden dat er een sterke emotionele werking van uitgaat op de lezer, waardoor hij zich tegelijk zou gaan afvragen hoe hij tegen de wereld aankijkt.”

Het gedicht, legt Hüsgen uit, probeert naast de bekende dimensies ruimte en tijd een suggestie te wekken van nog zeker vijf andere dimensies waaruit het universum volgens een theorie moet bestaan. In een passage op bladzij 17 bij voorbeeld komt die multidimensionaliteit ter sprake:

spiegelsplijtende zonnehemel ja

bengaalse vandaalse antwoordse vecht ja

grote borobudur nee van het bestaansgevecht nee

en ter merelmees buldert wit ter vrolijke minnares nee

wat gecontroleerde minaret ja in bed bad

cadillac der freeway grandioze casio's

cadillac der freeway multidimensionali

laat sportvelden lange muur met scherven en fietsen

Hüsgen werkte twee jaar aan zijn gedicht, van 1986 tot 1988. Een eerste publikatie verscheen begin 1991 in de door Rein Bloem geredigeerde poëzierubriek van Socialisme en Democratie, een blad van de Wiardi Beckman Stichting. Dat betrof echter een andere tekst dan het door Querido uitgegeven gedicht.

“Nevels orgel is een op zichzelf staand gedicht. Het is het centrale deel van een cyclus. Het eerste deel heb ik herschreven en dat zal aan het eind van het jaar in een speciale reeks uitkomen. Nevels orgel kun je beschouwen als een fuga, opgebouwd uit drie verschillende series die alle weer hun eigen structuurprincipes hebben.

“Een serie bestaat uit korte verhaaltjes over plaatsen in Nederland - dat zijn de meest heldere momenten in het gedicht. De tweede serie bevat een reeks gedichten die cijfermatig streng is opgebouwd in verschillende afdelingen: er is een afdeling met twee gedichten van twee regels met twee versvoeten per regel, dan volgt een afdeling met vier gedichten van vier regels en vier versvoeten, en zo verder. In de derde serie had ik het aantal gedichten vastgesteld en daarin mocht ik doen wat ik wilde, als ik maar ik steeds een bepaald woord dat ik uit het woordenboek koos liet terugkeren.

“De bedoeling was nu om die series al improviserend met elkaar te vervlechten en de thema's tegen elkaar uit te spelen. Om er een fuga van te maken wilde ik niet alleen ongelijksoortige vormen samenbrengen, maar ook semantische ongelijkheden, dingen die elkaar tegenspreken.”

Hüsgen beaamt dat het ingewikkeld klinkt maar voegt er onmiddellijk met een lachje aan toe dat een nieuwe reeks in voorbereiding is die 'een graadje erger' zal zijn. Dat geldt, zegt hij, voor de omvang en voor de structuurprincipes die daarin nog uitgekiender zijn. Nevels orgel is volgens hem dan ook 'de opmaat tot het echte werk'.

Eén van zijn drijfveren bij het schrijven is voldoen aan de eis die Rimbaud, die hij naast Lucebert, Faverey, Hölderlin en Arp graag leest, aan de dichter stelt: “Rimbaud vindt dat de dichter een soort Ziener moet zijn en dat kan hij bereiken door een lange en beredeneerde ontregeling van de zintuigen. Sinds het modernisme geloven veel mensen dat aan die eis is voldaan omdat alles al gezegd zou zijn. Dat is niet zo. Als je zo denkt gaat de poëzie verloren. Wie de moed opgeeft doet dat ten onrechte, want je kunt wel degelijk andere vormen bedenken. Dat heb ik willen laten zien.”