De bijzondere jongen Joris

Op een dag kocht Joris een hoed. Het was een zwarte, hoge hoed. Joris zette zijn hoed op en deed hem niet meer af. Thuis droeg hij zijn hoed ook. Alleen bij het slapen gaan deed hij zijn hoed af om hem naast de wekker op het nachtkastje te leggen. 'Waarom draag je altijd een hoed? Ik zie andere jongens nooit een hoed dragen', zei ik tegen Joris. 'Ik draag een hoed omdat ik een heel bijzondere jongen ben', zei Joris.

'Dat wist ik niet', zei ik. Joris keek me meewarig aan. 'Jammer voor je dat je niet weet dat ik een bijzondere jongen ben, want bijzondere jongens zijn heel zeldzaam', zei Joris.

'Ik ken wel bijzondere meisjes', zei ik. 'Ach, daar zijn er zoveel van, dat stelt niets voor', zei Joris.

'Ik ken een meisje dat 's avonds een boek onder haar hoofdkussen legt en 's morgens weet wat er in staat. En ik ken een meisje dat mooier kan zingen dan een Chinese nachtegaal. En ik ken een meisje dat op kippeëieren kan lopen zonder ze te breken. Ik ken zelfs een meisje van drie dat al kan lezen en rolschaatsen', zei ik tegen Joris.

'Mijn zusje kan een beschuitbus laten ontploffen, ze is heel goed in scheikunde', zei Joris. 'Ik kan op mijn handen een trap aflopen. Kun jij dat ook?', vroeg ik aan Joris. 'Als ik het zou willen, zou ik het kunnen. Maar waarom zou ik op mijn handen lopen als ik voeten heb? Dat is een veel te onbenullig kunstje voor een bijzondere jongen', zei Joris.

'Hè, vertel nou. Wat kan je dan voor bijzonders?' vroeg ik aan Joris. Joris trok een ernstig gezicht: 'Ik kan de dingen mijn wil opleggen', zei hij. 'Welke dingen dan?', vroeg ik. 'Tot nu toe alleen kleine dingen. Zie je die koekkrummel liggen? Als ik wil dat die koekkrummel beweegt dan beweegt hij', zei Joris. 'Dat wil ik wel eens zien', zei ik. 'Als er anderen bij zijn, mislukt het vaak. Maar ik zal het proberen', zei Joris.

Joris keek naar de koekkrummel alsof hij kwaad op hem was. Op die manier bleef hij naar de koekkrummel kijken tot de krummel ineens een eindje over de tafel schoof. 'Je hebt die krummel natuurlijk stiekem weggeblazen', zei ik tegen Joris.

'Die krummel doet wat ik zeg, zonder dat ik naar hem hoef te blazen. Geloof je me soms niet?' zei Joris. 'Ik geloof er niets van', zei ik.

Op dat moment kwam er een bromvlieg de kamer binnen. De bromvlieg cirkelde om ons heen en landde toen op Joris zijn hoge hoed. Eerst wandelde de bromvlieg daar een tijdje rond en daarna ging hij op de rand van de hoed zitten. Joris bewoog zijn gezicht niet maar keek alleen maar kwaad naar de bromvlieg. Ineens viel de bromvlieg omlaag. Met zijn pootjes omhoog bleef hij op tafel liggen. 'Heb je die bromvlieg je wil opgelegd?', vroeg ik aan Joris. 'Het bewijs ligt op tafel', zei Joris terwijl hij naar de verongelukte bromvlieg wees.