Chaos is de vijand van de beeldhouwer; Carel Visser over god, toeval, Rietveld en Brancusi

“Kunst mag wel mooi zijn, maar niet al te aangenaam,” zegt Carel Visser, die beelden maakt van sneeuw zonder boom en koeiehoorns combineert met camera's. Van idealistische kunst moet Visser niets hebben. “Ik hoop wel dat je aan mijn beelden kunt zien wanneer ze gemaakt zijn. Ik sta op de oever van de grote rivier van de tijd en geef vorm wat voorbijkomt.” Tentoonstellingen: Carel Visser. Nieuw werk en een aantal kleine oudere beelden. Haags Gemeentemuseum, Stadhouderslaan 41, Den Haag. T/m 21 aug. Di t/m zo 11-17u. Catalogus 71 blz., prijs ƒ30,-. Carel Visser: twaalf kleine ijzeren beelden. Link, Smidswater 15, Den Haag (ook te bereiken via Paleis Het Lange voorhout). T/m 21 aug. Di t/m zo 11-17u. Het Grote Gedicht. Indrukken van de Nederlands beeldhouwkunst na 1945. Grote Kerk, Rond de Grote Kerk 10, Den Haag. T/m 2 sept. Dag. 11-18u. Nieuw werk van Visser is ook te zien bij galerie Durand-Dessert, Rue de Lappe 2, Parijs. T/m 29 juli.

Keer op keer pakt Carel Visser zijn potlood uit de borstzak van zijn overhemd, maakt het nat met zijn tong, rukt mijn notitieblok uit mijn handen, en tekent. Het achterbeen van een paard. Twee schorpioenen in een kring van vuur. Een besneeuwde spar. Zo, al scheppend en herscheppend, verduidelijkt hij zijn werk. Hij heeft er de natuur voor nodig, en het werk van andere kunstenaars. In het blok verschijnen De oneindige zuil van Constantin Brancusi, De witte negerin van Constantin Brancusi, De Bruid van Henry Moore en een open vierkant van Carl Andre.

Carel Visser, 66, is beeldhouwer, succesvol beeldhouwer, sinds 1947. Op de overzichtstentoonstelling Het Grote Gedicht. Indruk van de Nederlandse beeldhouwkunst na 1945, is hij met zes beelden de best vertegenwoordigde kunstenaar. Deze zes beelden in de Haagse Grote Kerk geven een razendsnel overzicht van zijn gevarieerde oeuvre, dat achtereenvolgens is beïnvloed door de grote modernen Gonzalez, Giacometti en Brancusi, door het minimalisme en door de arte povera. In de kerk ligt bijvoorbeeld Stervend paard uit 1949, door een criticus toen een hoop kachelpijpen genoemd, nu een ontroerend amechtige poging van ijzer om zich op te richten. Uit 1966 dateert Aan elkaar, een van Vissers 'Salami's'. Een ijzeren balkje ligt op een sokkel en aan dat balkje hangt nog een balk van hetzelfde formaat, in acht blokken gezaagd en weer aan elkaar gelast. Moeten die blokken eigenlijk niet vallen? In 1977 maakte Visser Ionisch gevouwen, een losse weergave van de kapiteel van een Ionische zuil. In dit beeld is het ijzer slap, bijna zacht, geworden. Jungle uit 1985 is niet meer van Vissers dierbare ijzer; het is een stapeling van zeer diverse materialen, van een glasplaat tot een berg schapewol. Werken als Jungle maakt Visser, onlangs bekroond met de J.C.

van Lanschotprijs voor beeldhouwkunst, nu nog steeds, blijkt op zijn eenmanstentoonstelling in het Haags Gemeentemuseum. Daar zijn beelden, collages en tekeningen uit de afgelopen twee jaar te zien. Visser heeft het gebruik van gevonden voorwerpen als autoruiten en schapewol zelf nooit als een omslag beschouwd. Hij ging voort op dezelfde weg, alleen met andere middelen. Eén constante in zijn werk is in ieder geval zijn plezier in balans. Vissers beelden zijn als meisjes op een evenwichtsbalk, stil gezet in hun gedurfdste pose. Je kunt ze van alle kanten bekijken, maar helaas niet aanraken.

Visser woont in een boerderij in de Betuwe, niet al te ver van zijn geboortedorp Papendrecht. In zijn woonkamer hangt een Fontana, staat een Rietveld, ligt een Carl Andre, en zit Visser, op de bank, op een donderdagavond, met mijn notitieblok en een foto van het beeld Geiserantenne (1992) voor zich. Het bestaat uit staken van ijzer en brons, de kap van een geiser, een lampekap, en vier ronde ruiten.

Wat was er eerst, het materiaal of het idee voor dit beeld?

“Het beeld! Ik zie mijn beelden altijd voor me. Ze zijn er opeens, compleet met de maten en de materialen. Mijn werk komt absoluut niet spelenderwijs tot stand, dat is alleen bij dilettanten het geval. Kunstenaars hebben het beeld van tevoren helder in hun hoofd, ook Picasso toen hij de beroemde stierekop maakte van een fietszadel en een fietsstuur. Hij zocht niet zomaar wat bij elkaar.

“Mijn beelden komen als ik me in een sluimertoestand bevind. Als ik in bed lig, als ik in de trein zit of als ik langs een recht stuk weg fiets. Ik kan dat niet forceren, ik kan niet zomaar een eind gaan fietsen en dan hopen dat er iets komt. Ik moet iets anders te doen hebben, brood halen bijvoorbeeld. En als ik een beeld zie, weet ik meteen welk materiaal ik moet gebruiken. Ik heb zo langzamerhand een eigen taal ontwikkeld.” Visser buigt zich over Geiserantenne. “De ronde ruiten zijn patrijspoorten. Die heb ik gekregen van iemand die zijn boot gesloopt had. Het zijn volmaakt ronde exemplaren. De lampekap is een afschuwelijk ding, maar hij is wel mooi van kleur, geel en rozebruin. Daarop staat de mantel van een geiser. En daarop weer het eigenlijke beeld, de ijzeren staken. Zij spelen een spel in de ruimte.”

Waar heeft u de andere onderdelen dan voor nodig?

“De rest van die dingen moeten het beeld naar de grond brengen. Ik vind sokkels afschuwelijk. Ze zijn zo gelikt, ze maken een beeld museaal. Brancusi, mijn grote voorbeeld in de beeldhouwkunst, timmerde zelf zijn sokkels. Niemand zal het wagen die onder zijn beelden vandaan te halen.” Visser schetst vlug een dame met een kinderwagen. “Onze ouders moesten hun hoofd in de nek leggen om naar een standbeeld te kijken. Wilhelm II, Hitler, Stalin, als goden keken ze op de mensen neer. Daar krijg ik de pest van in. In de jaren zestig volgde het andere uiterste. Carl Andre maakte een vloer waar je overheen moest lopen. Ik maak beelden waar je ín kunt kijken.” Hij trekt een lijn van de ogen van de dame naar de kinderwagen. “Mijn beelden zijn een soort wezens.”

Geiserantenne ziet eruit alsof het bij toeval is ontstaan.

“Ik geloof niet in toeval. In de primitieve kunst is wel veel toevalligs, maar in een Cézanne of een Van Gogh niet. Misschien kun je na afloop van de rommelmarkt op Koninginnedag een lampekap met iets erop vinden, maar dit beeld, nee. Deze opbouw krijg je niet vanzelf. Ik heb de dingen met veel moeite zo op elkaar gezet. Chaos is de vijand van de beeldhouwer.

“Waar het mij om gaat is het bereiken van vanzelfsprekendheid. Mijn beelden moeten net zo vanzelfsprekend zijn als een boom of een paard. Heb je wel eens gezien hoe ingewikkeld een paard naar de grond komt?” Visser tekent het paardebeen. Wel vijf keer moet zijn potlood van richting veranderen. “Paarden doen tamelijk moeilijk.”

Wat is het verschil tussen een beeldhouwwerk en een paardebeen, tussen een schepping van de natuur en een schepping van een kunstenaar?

“Ik maak gebruik van dezelfde principes als de natuur. Van opbouw, van symmetrie en asymmetrie. En ik kom wel eens dingen tegen, een slakkehuis bijvoorbeeld, waarvan ik denk: dat zou ik gemaakt willen hebben. Maar toch is er een groot verschil. Als er geen verschil was, konden de beeldhouwers wel ophouden.” Ditmaal tekent hij niet om zijn woorden kracht bij te zetten. Hij pakt een steen, een mooie, grijze, gladde steen. “Deze steen heeft in India duizend jaar onder een waterval liggen draaien. Hij heeft een absolute vorm; is links even breed als rechts. En juist daarom is het geen beeldhouwwerk. Brancusi zou er de zaag in zetten. Hij zou de vorm afwijkend maken, en dat maakt het spannend. Het is iets wat je niet verwacht. Brancusi is de moderne tijd. De ingreep van de mens, daar gaat het om.”

Werkt u hard?

“Als kind probeerde ik in het bad altijd hoe lang ik onder water kon blijven zonder te stikken. Met werken heb ik de proef nooit op de som genomen. Maar als ik niet kan werken ga ik waarschijnlijk dood. Ik ben verslaafd. In vergelijking met anderen heb ik een hoge produktie. Ik maak zo'n dertig beelden per jaar, soms nog wel meer. Als ik ergens anders ben, regel ik snel een atelier.

“Ik werd op een dag wakker en dacht: ik word beeldhouwer. Ik was toen negentien jaar. Mijn vader was een grote aannemer in Papendrecht. Hij had een smederij waar ik vaak naartoe ging. Ik vroeg de lassers om me dingen voor te doen. Van hen heb ik veel geleerd.

“De academie in Den Haag, waar ik daarna op heb gezeten, was verloren tijd. Later ben ik gaan reizen, naar het Louvre, het Uffizi, het Prado. Overal bleef ik een paar weken om na te tekenen. In de jaren zestig ben ik vaak naar Zuid-Amerika geweest. Het antropologisch museum in Mexico City gaf me een ongelooflijke schok. Mijn vader was een geweldige cultuurliefhebber. Er loopt in de beeldende kunst een lijn van Egypte via Kreta en Athene, naar Rome. Die lijn kreeg ik thuis en op school voorgeschoteld. China en Amerika bestonden niet. Daarom schokte dat museum mij zo. Maar de invloed van die kunst is niet direct aanwijsbaar in mijn werk.” Visser pakt weer een steen uit de vensterbank. Hij wijst op de onderkant. “Zie je die prachtige open bek? Dit beeld heb ik gekocht in Mexico. De winkelier zei: 'Sommigen vinden dit maar een stom stuk steen, anderen menen dat het een Olmec-stuk is.'

“Ik kocht het. Later zei een kenner van deze precolumbiaanse kunst tegen mij: 'This is a hell of a good piece.' Wie heeft er nu gelijk? Het is heel moeilijk te zeggen waarom iets mooi is. Ik vind Breitner mooi. Sandberg (na de Tweede Wereldoorlog directeur van het Stedelijk Museum, BS) exposeerde eens Breitners in Polen, vooral paarden en huzaren. Hij dacht dat de Polen dat wel aan zou spreken. Maar de Polen vonden het kommer en kwel. Wie heeft er nu gelijk?” Waarom geeft u uw beelden titels?

“Ik geef mijn titels altijd achteraf. Als mijn galeriehouder zegt: en nu nog de titels, dan zeg ik: over tien minuten heb je ze. Vaak zijn mijn titels beschrijvend. Een titel is een handvat voor de kijker om het beeld te snappen. En hij moet ook de sfeer weergeven. 'Notenbalk' past bijvoorbeeld bij een werk dat ijl en licht is, als muziek.”

Een van uw werken uit de jaren vijftig heet Auschwitz.

“Dat is een beeld uit 1957. Some time ago. Ik heb het gemaakt voor een internationale prijsvraag voor een monument in Auschwitz. Sandberg riep ons beeldhouwers - Willem Reijers, Wessel Couzijn, Willem De Kooning en ik - bij elkaar in een zaaltje van het Stedelijk en liet ons de film Nacht und Nebel van Alain Resnais zien. Alleen de schoorstenen en de spoorlijn, die griezelige bielzen, van het kamp waren nog intact. Die heb ik gemaakt.”

Hij tekent weer. Veel verticalen, de schoorstenen, aan elkaar gekoppeld door horizontalen, want zonder verbinding heb je geen beeld, en een hele lange horizontaal, de spoorlijn. Op de expositie in het Haags Gemeentemuseum is een heel kleine versie van het beeld te zien. Om uit te leggen wat de spoorlijn doet, tekent hij weer. Twee schorpioenen in een kring van vuur. Hij heeft ze gezien in Mexico. “Jongens zetten twee schorpioenen in een kring benzine. Die steken ze daarna aan. Als de schorpioenen zien dat er geen uitweg meer is, steken ze zichzelf met hun staart in hun nek. Mijn Auschwitzbeeld steekt zichzelf ook in de nek.”

Hebben uw beelden vaker een directe aanleiding?

“Een gebeurtenis kan wel aanleiding zijn voor een beeld, zoals de geboorte van een kleinkind of de dood van een hond. Toen mijn bull terriër Mozes, stierf, heb ik zijn kop in de aarde gestopt. Ik zette er een paal naast, zodat ik wist waar hij lag. Na een paar maanden haalde ik hem weer uit de grond, toen was hij helemaal schoon. Ik heb de schedel opgenomen in een werk. Het is een prachtige gestroomlijnde schedel.”

Visser laat het me zien in zijn atelier. In de buurt staat een ander beeld. “In Zwitserland heb ik een keer sneeuw gezien op een sparreboom. Zo'n boom is een geweldig gestructureerd ding. Ik dacht: ja, dat is er eentje voor mij. Die ga ik omzetten in een beeld. Het beeld is alleen de sneeuw, de boom heb ik weggelaten.”

Even verderop zijn aan een boomstronk vier in zilver gevatte koeiehoorns bevestigd. Op de stronk ligt een ouderwetse zes-bij-zescamera. Visser lacht. “Zonder die camera is het wel acceptabel hè. Maar die camera gooit roet in het eten. Het is een dissonant.”

Waarom houdt u zo van dissonanten?

“Kunst mag wel mooi zijn, maar niet al te aangenaam. Aristide Maillol, een Franse beeldhouwer uit het begin van deze eeuw, is bijvoorbeeld veel te fluwelig. Maillol hield op straat jonge meisjes aan en vroeg dan: mag ik uw benen afgieten, of uw handen? Thuis had hij rekken waarin hij die lichaamsdelen bewaarde. Zijn naakten zijn uit verschillende lichamen samengesteld, een schouder uit Rouen, een dijbeen uit Marseille. Daarom zijn ze zoet en levenloos. Ze zijn te volmaakt. Nee, dan Rietveld. Die ging een beetje timmeren en verven en het resultaat is de rood-blauwe stoel. Rietveld zocht zijn eigen harmonie. Die stoel heeft een volstrekt natuurlijke manier van bestaan.”

Rietveld maakte zijn stoel vanuit een bepaalde overtuiging. Hij geloofde dat de mens baat had bij eenvoudige, en masse te produceren gebruiksvoorwerpen.

“Bij Rietveld gaat het mij niet om zijn boodschap, maar om het eindresultaat. Ik moet niets hebben van idealistische kunst. Mijn doel is niet de wereld te verbeteren of te verblijden. Maar wat er in de wereld gebeurt heeft wel invloed op mijn werk. Ik ben er van overtuigd dat de manier waarop wij eten, slapen en denken sinds de val van de Berlijnse muur veranderd is. Dus ook mijn manier van beelden maken, al zie je dat niet meteen. Ik ga mijn beelden geen titels geven als Gorbatsjov ontmoet Bush. Met verhaaltjes heb ik niets te maken. Ik hoop wel dat je aan mijn beelden kunt zien wanneer ze gemaakt zijn. Ik sta op de oever van de grote rivier van de tijd en geef vorm aan wat voorbijkomt.”

U geeft al dertig jaar les aan de Ateliers 63. Wat leert u uw leerlingen?

“Kunst kun je niet leren. Maar soms helpt het om er over te praten. Door vragen te stellen kun je ze tot iets wezenlijks brengen.

Wat vraagt u hun bijvoorbeeld?

“Stel dat je verder moet leven in een witte kubus met een stoel erin en je mag maar een beeld en een schilderij meenemen. Wat kies je?” Wat kiest u?

“De witte negerin van Brancusi en een Mondriaan uit 1935 of 1936. Waarom geen Rembrandt of Titiaan? Ik wil iets wat dicht bij me staat. Mondriaan is om de hoek.”

Voelt u zich verwant met god?

“Ik ben een schepper, als u dat bedoelt. Jazeker. Het creatieve dat in de natuur zit is afkomstig van god. Een kunstenaar is creatief. Als je voortdurend gedichten in je hoofd hoort, ben je een dichter. Als je steeds hobo's en violen hoort, ben je een componist. En als je steeds beelden ziet, kan iemand anders zeggen: die vent is gek, want hij ziet dingen die ik niet zie. Maar ik zeg: ik ben beeldhouwer. Van de beelden die ik zie, kan ik alleen afkomen door ze te maken. Anders blijven ze me achtervolgen.”