'Verzinsels van Rozenblad onnodig'

AMSTERDAM, 16 JUNI. Eind april al kreeg de PvdA 'signalen' dat de partij nog eens beter zou moeten kijken naar de handel en wandel van Tweede-Kamerkandidaat Evan Cyriel Rozenblad. En niet, zoals partijvoorzitter Rottenberg dinsdag nog verklaarde, pas bij de berichtgeving daarover in de media. Tot gisteren, twee dagen na het vertrek van Rozenblad, hield de partij vol dat er eerder geen sprake was geweest van twijfel aan de gegevens die de PvdA-kandidaat had verstrekt.

Een inwoner uit Amsterdam, die eerder om het curriculum vitae van Rozenblad had gevraagd en toen te horen had gekregen dat het er niet was, verzocht in april Rottenberg of hij het kon geven. De inwoner stelde vervolgens vast dat verscheidene gegevens op het curriculum niet klopten en bracht het partijbestuur op de hoogte. Dat was even na de verkiezingen van 3 mei.

Rottenberg beklemtoont dat de brief van de Amsterdamse inwoner op zichzelf niet opmerkelijk was, omdat er veel meer brieven met dergelijke beschuldigingen binnenkomen, maar deze lang niet altijd een serieus karakter blijken te hebben. En wat zij schreef was “allemaal nogal mistig”, volgens V. Verhoeven, directeur van het partijbureau in Amsterdam. Hij en Rottenberg hebben Rozenblad naar aanleiding van de brief enkele malen “stevig ondervraagd” of er iets aan de hand was met zijn CV. Zij kregen louter geruststellende antwoorden.

Twijfel kwam pas toen na de verkiezingen bleek dat Rozenblad nog niet was genaturaliseerd, hoewel hij zelf anders had gesuggereerd. “Daar schrok ik zelf behoorlijk van”, zegt Rottenberg vandaag. “Mijn intuïtie was toen niet in orde.” Het feit dat Rozenblad over de naturalisatie onjuiste informatie had gegeven, had Rottenberg aan het denken kunnen zetten over de verdere achtergrond van het kandidaat-Kamerlid. Volgens Rottenberg was het verhaal van Rozenblad over zijn CV in orde, maar had de partij dit verhaal met een paar telefoontjes nog best kunnen controleren. Op dit punt spreekt Rottenberg van een “beoordelingsfout”.

Het is allemaal begonnen met de opdracht van de partijvoorzitter om nieuw bloed in de Tweede Kamer te krijgen en daarbij nadrukkelijk kandidaten te recruteren buiten de partij. Oud-gemeenteraadslid J. Ruijgers kreeg samen met P. Rombouts de taak allochtone kandidaten te werven. Als voorzitter van stadsdeel Zuidoost had Ruijgers Rozenblad in het oog gekregen. Die was daar voorzitter van de welzijnsorganisatie BZO. “Een uitstekende voorzitter.”

Daarom vroegen Ruijgers en Rombouts in de eerste helft van 1993 of Rozenblad, toen nog geen partijlid, zich kandidaat zou willen stellen voor de Tweede Kamer. “Er is geen sprake van dat hij zichzelf heeft aangemeld”, onderstreept Ruijgers. Na enkele gesprekken hebben zij Rozenblad, met “acht à negen” andere allochtonen, in juli 1993 voorgedragen bij de kandidatencommissie. “Die zijn de moeite waard”, was de boodschap die de headhunters meegaven aan de commissie. Van dit lijstje zijn alleen Rozenblad en de Marokkaan H. Houda doorgedrongen tot de definitieve kandidatenlijst, Rozenblad op 26, Houda op 46.

“Wij hebben in onze gesprekken nooit gesproken over zijn cijferlijst”, aldus Ruijgers. Dat heeft de kandidatencommissie van de PvdA daarna ook niet gedaan, zegt N. Salomons, ombudsman in Amsterdam en lid van de commissie. “Administratieve zaken zijn niet zozeer voor onze beoordeling. Volgens haar deden de betreffende gegevens ook niet ter zake voor de beoordeling van 's mans capaciteiten als volksvertegenwoordiger. “Als dit allemaal bekend was geweest, was hij er ook doorgekomen.”

Met de kandidaat-politici is vooral over inhoudelijke zaken gesproken en dat “heel stringent”, volgens Salomons. Een kwestie die daarbij aan de orde is gekomen in de gesprekken met Rozenblad, is zijn politieke houding in het Suriname onder legerleider Bouterse. Van 1979 tot 1983 werkte hij immers op de Anton de Kom-universiteit in Paramaribo. Weliswaar niet als directielid, zoals hij zelf schreef, maar als bibliotheekmedewerker. Zowel Ruijgers en Rombouts, als de kandidatencommissie hebben zich ervan vergewist, wat Rozenblads relatie tot het autoritaire regime was. “Hij had geen vuile handen”, zegt Ruijgers. “Daar is ons niets van gebleken.”

Achteraf voelt Ruijgers zich “een beetje belazerd”, Salomons spreekt van een “verantwoordelijkheids probleempje van de persoon in kwestie”. Voor Rottenberg is het een “vervelend incident” en voor vice-fractievoorzitter Wallage was het een “persoonlijke tragedie”. Rozenblad zelf is al dagen voor commentaar onbereikbaar.