Verharding

DE JONGSTE JAARCIJFERS van de Centrale recherche informatiedienst (CRI) wijzen op een verharding van de grote criminaliteit. Het aantal georganiseerde bendes is toegenomen, evenals het aantal afrekeningen in het criminele milieu. Ook de instroom van misdaadgeld in de legale economie neemt toe.

Het gaat om een complex verschijnsel en er bestaat dan ook niet een eenvoudig antwoord. De hele samenleving wordt aangesproken, van bankbedrijf tot onderwijs, tot individueel gedrag en het goede voorbeeld. Maar dat neemt niet weg dat politie en justitie in de politieke discussie het meest direct in de frontlinie staan. Niet het minste gevaar hierbij is dat de verharding deze instanties uitnodigt met gelijke munt te betalen terwijl staatsorganen uit hoofde van hun taak nu juist steeds de grenzen van hun optreden scherp in het oog dienen te houden.

Een zorgwekkend detail in het CRI-rapport is dat criminelen steeds vaker proberen de politie in opspraak te brengen, bijvoorbeeld door zorgvuldig geselecteerde verdachtmakingen tegen recherchechefs rond te strooien, een sluwe mengeling van Dichtung und Wahrheit. Het kost de autoriteiten soms veel tijd en moeite af te rekenen met dergelijke verhalen. Dat is het echter dubbel en dwars waard, want de moderne politie-operaties gebeuren vaak in grijs gebied.

DE VERHARDING VAN het criminele klimaat vergroot de druk op de strafrechtelijke methoden. In de jongste aflevering van het Tijdschrift voor de politie legt de Amnsterdamse (IRT-)officier van justitie mr. M.A.A. van Capelle het mes wel zeer ongegeneerd op tafel. Aanleiding was het gebruik van anonieme getuigenverklaringen waarbij dan nu nog het omstreden plan komt de kroongetuige in te voeren, dat is dus de getuige die door de justitie wordt geholpen de dans te ontspringen in ruil voor zijn verklaringen tegen anderen. Als dit niet doorgaat, dreigt de Amsterdamse magistraat, “dan resten politie en openbaar ministerie eigenlijk alleen nog methoden als de uitlokking van strafbare feiten om met enige kans op succes op te treden tegen zware georganiseerde misdaad”.

Uitlokking is door de Hoge Raad ondubbelzinnig en bij herhaling afgewezen; niet een grens om zo gemakkelijk over te gaan. Eerder deed Van Capelle reeds de aanbeveling de zogeheten “informatiepositie” van politie binnen de politiek te verbeteren. Hij dacht daarbij aan nauwe samenwerking met de BVD. In hetzelfde blad gaf de directeur Staatsveiligheid van de BVD, A. Koerten, blijk van een beter gevoel voor staatsrechtelijke verhoudingen: “Het ambtelijk apparaat kan, mag en behoort de politiek niet te controleren.” Uiteraard kunnen politici niet immuun zijn voor onderzoek als daarvoor een gerichte aanleiding is. Maar de uitvoerende macht past het niet zomaar wat te gaan snuffelen.

Behalve aan de interregionale criminaliteitsbestrijding dient het nieuwe kabinet aandacht te schenken aan de opkomst van allerlei nieuwe politiemethoden in het voorterrein van de eigenlijke misdaadbestrijding (de zogeheten pro-actieve methoden). Het gaat daarbij nu steeds om de georganiseerde criminaliteit, maar het zijn methoden die evenzeer in aanmerking komen bij studentenprotest of arbeidsonrust. Alleen al dergelijke eventualiteiten maken een behoorlijke regeling onontbeerlijk. Vlak voor zijn aftreden herinnerde minister Hirsch Ballin (justitie) nog eens met reden aan het uitgangspunt: “Altijd is een wettelijke grondslag nodig voor het toekennen van een bevoegdheid aan politie en openbaar ministerie die de grondrechten van burgers raakt.”

DE VERHARDING is ernstig en de politiek moet dat serieus nemen. Maar een gemakzuchtig toegeven aan almaar twijfelachtigere opsporingsmethoden, oogt flink maar is niet het wapen van een rechtsstaat. Het provoceert slechts een spiraal en ontslaat de individuele burger van de plicht ook zichzelf in zijn omgeving als constructieve deelnemer aan de samenleving op te stellen.