Tsjechische dame minder gemakkelijk dan vroeger te verleiden

PRAAG, 16 JUNI. De tijd van Westerse mammoetinvesteringen in de Tsjechische economie is voorbij. Steeds vaker krijgen Westerse aspirant-investeerders de beleefde boodschap dat ze bedankt worden voor de moeite, maar dat de regering heeft besloten dat de Tsjechen het project waar het om draait zelf wel kunnen behappen.

Onlangs kreeg een internationaal consortium van Westerse oliemaatschappijen (het Franse Total, het Italiaamse Agip, het Amerikaanse Conoco en het Brits-Nederlandse Shell) te horen dat hun aanbod om over een periode van vijf jaar 520 miljoen dollar te investeren in ruil voor een 49-procentsaandeel in de twee meest winstgevende oliemaatschappijen van het land weliswaar heel aanlokkelijk was, maar dat de regering had besloten de modernisering van de olie-industrie toch liever in eigen hand te houden.

Immers, zo lichtte de Tsjechische premier, Václav Klaus, de beslissing toe: “De winst die de twee Tsjechische maatschappijen in die periode verwachten te maken is vergelijkbaar met de voorgenomen investering en we weten hoe moeilijk het is de winst van transnationale bedrijven binnen de lokale economie te houden.”

Dat betekent niet, zo probeerde Ivan Ottis, directeur van een van de twee Tsjechische oliemaatschappijen, de pil te vergulden, dat daarmee de deur voor toekomstige samenwerking met de buitenlandse partners is dichtgeslagen: de Tsjechen zouden steeds openstaan voor andere vormen van samenwerking. Het was immers juist door de openheid van het consortium tijdens de onderhandelingen geweest dat zijn maatschappij, Kaucuk, in staat was gesteld om betere schattingen te maken over de toekomstige mogelijkheden van de maatschappij.

“Het is langzamerhand een vertrouwd beeld geworden”, zegt een vertegenwoordiger van Hay Management Consultants, een van de talloze Westerse adviesbureaus die betrokken zijn bij de privatisering van de Tsjechische staatsbedrijven. “De Tsjechen hebben geld zat, ze hebben de buitenlanders niet meer zo nodig. Ze houden de zaken liever in eigen beheer.”

In de consultancy-branche is goed te merken dat het tij voor Westerse investeerders aan het keren is. “Steeds minder vaak komt het voor dat bureaus worden ingehuurd voor het begeleiden van grote projecten. Ja, hier en daar een gericht advies, daarvoor worden ze nog wel gebruikt, maar de Tsjechische netwerken worden zelf steeds sterker.”

Aan de hand van recente cijfers is een duidelijke verschuiving te zien van directe investeringen naar indirecte investeringen zoals kapitaaldeelnemingen, portefeuille-investeringen en joint ventures. Aan indirecte investeringen kwam er in het eerste kwartaal van 1994 200 miljoen dollar het land in. Over heel 1993 was dat 350 miljoen dollar. Directe buitenlandse investeringen in het eerste kwartaal beliepen echter niet meer dan 78 miljoen dollar.

Al in februari werd duidelijk dat Tsjechië, anders dan andere Oosteuropese landen, niet langer zit te springen om buitenlandse investeringen. Toen liet premier Klaus weten dat hij de voorkeur geeft aan handel, aan het neerhalen van belemmeringen voor de export. Tsjechische bedrijven krijgen tegenwoordig dan ook vaak een voorkeursbehandeling en buitenlandse investeerders ondervinden veel tegenwerking en hebben uiteindelijk vaak het nakijken nadat ze jaren bezig zijn geweest met de ontwikkeling van hun investeringsplannen.

Onder het motto 'waarom zouden we onze goede bedrijven aan buitenlanders verkwanselen?' zoeken de Tsjechische ministeries - die van industrie en handel, privatisering, financiën - steeds vaker naar financiering op de Tsjechische kapitaalmarkt, die zich het afgelopen jaar explosief heeft ontwikkeld, zo explosief dat er ook al een paar al te roekeloze banken over de kop dreigen te gaan.

Kapitaal is er langzamerhand genoeg in Praag: de handelsbalans toont een surplus van 300 miljoen dollar, de betalingsbalans zelfs van 450 miljoen. Aan leningen is evenmin gebrek: in het eerste kwartaal kwam er 600 miljoen dollar vrij. Om de modernisering van de olie-industrie “op de Tsjechische manier” te financieren bood de Japanse Eximbank al een lening van 1 miljard dollar aan als de staat daarvoor garant staat.

Ten bewijze van het feit dat de Tsjechische staat goed bij kas zit werd begin deze maand aangekondigd dat de Tsjechische nationale bank, net zoals al eerder is gedaan, een IMF-lening van 430 miljoen dollar vervroegd gaat terugbetalen, een jaar eerder dan de vervaldatum. De belangrijkste reden daarvan is dat de valutareserves het afgelopen jaar sterk gestegen zijn en dat vervroegde terugbetaling voordeliger is.

Buitenlandse experts halen wel eens de wenkbrauwen op over zoveel financiële overmoed. “De situatie in Praag is heel anders dan in de provincie”, zegt een Westerse handelsbevorderaar. “In kleinere plaatsen zit men juist te springen om de investeringen die in Praag worden afgewezen. Vaak zijn de buitenlandse aanbiedingen ook beter dan de Tsjechische, maar op basis van vriendjespolitiek en andere niet-economische overwegingen sleept dan toch een Tsjech de buit binnen.”

Sommige buitenlanders kunnen ook wel begrip opbrengen voor de veranderde houding tegenover buitenlandse investeerders. “De ervaringen met Volkswagen en Air France zijn natuurlijk niet erg bevorderlijk geweest”, meent een Westerse consultant. Volkswagen bracht vorig jaar september een toegezegde investering in de Škoda-fabriek in Mladá Boleslav drastisch naar beneden, Air France trok zich terug uit de joint-venture met de Tsjechische luchtvaartmaatschappij CSA. “Veel Westerse investeerders zijn hier een paar jaar geleden naartoe gekomen met de instelling dat dit een ontwikkelingsland is waar ze de zaak wel even zouden regelen. Maar de Tsjechen zijn natuurlijk niet achterlijk, ze zien nu hoe het werkt en kunnen het zelf even goed.”

Vandaar dat de Tsjechische premier onlangs op de in Praag gehouden conferentie 'Europa en wij' met zijn karakteristieke arrogantie kon verkondigen dat het “nationale belang en de noodzaak om de Tsjechische nationale identiteit te bewaren boven alles gaan”.

Ook de Tsjechische minister van industrie en handel, Vladimír Dlouhý, laat zich nooit onbetuigd als het gaat om het Tsjechische belang. Op een recente conferentie over handel tussen Oost en West in Warschau, onder het motto 'partnerschap voor handel', hield hij zijn verbaasde collega's uit tien voormalig-communistische landen voor: “Naast positieve ervaringen hebben we ook negatieve ervaringen met buitenlandse investeringen in ons land. Het enige doel van buitenlandse investeerders is vaak om de plaatselijke concurrentie uit te schakelen. We kunnen geen situatie toestaan waarbij joint ventures de winst het land uitpompen.”

Volgens Dlouhý is Oost-Europa verwikkeld in een concurrentieslag met Azië en Afrika om investeringen te bemachtigen. “Maar we moeten ons allereerst concentreren op het verbeteren van onze eigen interne situatie en ernaar streven om macro-economische stabiliteit te bereiken. Privatisering, niet buitenlandse investeringen, moet het belangrijke instrument van ontwikkeling worden.”

Daarmee lijkt de toon voor de toekomst haarzuiver aangegeven: de Tsjechische dame is minder gemakkelijk te verleiden dan vroeger. In totaal hebben Westerse industrieën in Tsjechië voor ongeveer 2,1 miljard dollar geïnvesteerd. De Tsjechen vinden dat voorlopig wel genoeg.