Tegen de infantilisering, weg met de bureaucratie

Gisteren presenteerde de Adviesraad voor het Onderwijs zijn visie op de toekomst van universiteiten en hogescholen. Alles moet anders.

Het stelsel van hoger onderwijs verloedert. En de voorgestelde oplossingen leiden niet uit de doodlopende weg waarin universiteiten en hogescholen verzeild zijn geraakt. Voorzitter prof.dr. N.H. Douben en secretaris drs. H.F. van Aalst van de Adviesraad voor het Onderwijs willen af van de 'infantilisering' van studenten en weg van de voortgaande bureacratisering op universiteiten en hogescholen. Hun idee: 'de praktijk' moet een veel grotere rol spelen.

“Verschoolsing, samen les in een klaslokaal, werkt in het voortgezet onderwijs nog goed, maar daarna niet meer. Op de universiteit moet je het zelf doen”, zegt Van Aalst. “Sociaal, economisch en cultureel is het rendement afgenomen. Dit is geen beleidsprobleem meer, maar is een kenmerk van het stelsel geworden.”

Er is een alternatieve richting, vindt de ARO: mengvormen van multimediaal leren, ervaringsleren en netwerkleren. “Daarbij hoort een financiering die niet gericht is op onderwijs, maar op leerprocessen in het algemeen, inclusief leerprocessen die helemaal geen onderwijscomponent meer hebben”, aldus Van Aalst.

Op zijn werkkamer met ruim uitzicht over de Utrechtse binnenstad legt Van Aalst uit waarom de huidige discussies over de structuur van het hoger onderwijs op niets uitlopen. Douben luistert, goedkeurend knikkend.

Van Aalst: “Er zijn nu twee varianten voor de toekomst van het hoger onderwijs in omloop. De 'restauratievariant': maak het hoger onderwijs opnieuw selectief en klein. Dat is goed voor de zeven procent van de leeftijdsgroep die het betreft, maar geeft geen antwoord op de vraag wat je aan moet met de 23 procent die je overhoudt.”

De tegenovergestelde variant is: 'gooi het maar helemaal open en trek daar de consequenties uit door het stelsel gevarieerder te maken, door meer kortere opleidingen toe te staan'. Ook dat is geen oplossing.

Van Aalst: “Want daarmee blijf je binnen de vicieuze cirkel. Om de grote vraag met beperkt geld op te vangen moet je onderwijs namelijk rationaliseren. Daardoor verschools je, daardoor wordt het kwalificerende rendement verminderd, wordt het schoolse rendement verhoogd, en kom je er niet uit. Er bestaat een toenemende druk om maar te blijven leren tot je 27e, in een reguliere onderwijssetting, in een afgeschermde omgeving, kennisrijk en actie-arm, waar je niet wordt aangesproken op je persoonlijke verantwoordelijkheid om met kennis om te gaan.”

Experts

Als eerste stap naar een nieuw stelsel moeten universiteiten en hogescholen de financiële en wettelijke ruimte krijgen om een veel grotere praktijkcomponent in het onderwijs in te brengen, vindt de ARO. De opleidingen aan universiteiten en hogescholen moeten op hun eigen manier 'netwerken' aangaan met 'het afnemende beroepenveld'. “Je moet af van standaardisatie, je moet toe naar een situatie waarin het leren niet noodzakelijk gebeurt als je jong bent, en niet noodzakelijk op basis van cursusmateriaal, maar veel meer op basis van interactie met experts en dan niet noodzakelijk voltijds”, aldus Van Aalst.

Het huidige stelsel is ontstaan uit een systeem met een beperkte capaciteit dat in de jaren zestig en zeventig overstroomd werd met studenten. Douben - “als jij nu eventjes wacht, Hans, dan kun je mooi op adem komen” - “De problemen van de laatste tien, vijftien jaar zijn nauwelijks oplosbaar als je op dezelfde weg doorgaat. Er wordt een karikatuur gemaakt van het hoger onderwijs. Met 27 jaar houdt de studiefinanciering op. Alsof iemand voor de volgende 35 jaar geen noodzaak meer heeft zich verder te bekwamen. De zaak wordt in beheerskastjes gelegd, alsof iedereen daarin past. Er moeten zoveel mensen tot het eindniveau van de opleiding worden gebracht dat de bestuurlijke beheersing is gaan overheersen. En die beheersstructuur staat tamelijk los van de inhoud van het onderwijs en het onderzoek. Studierendement wordt beloond, een voortijdig vertrekkende promovendus levert straf op. Het resultaat is dat een grote groep studenten met een heel andere voorstelling naar de universiteit komt dan ze in feite geboden krijgen.”

Juist de kennis en ervaring die wordt opgedaan in de praktijk van het onderzoek, de tacit knowledge die niet uit leerboekjes kan worden geleerd, zijn het belangrijkst, vult Van Aalst aan. “Toen ik natuurkunde studeerde deed ik twee jaar lang feitelijk onderzoek, nu is dat maar drie maanden. In Utrecht gaat men de docenten nu verplichten zich didactisch te scholen. Zo wordt de universitair docent een voortgezette voortgezet-onderwijsleraar. De deskundigheid van de docent moet niet liggen op didactisch terrein, die moet zitten in praktijkervaring. Mijn zoon krijgt natuurkundecolleges van niet-praktizerende fysici en ergert zich daaraan.”

Die 'echte leeratmosfeer' is gaan ontbreken door de toenemende studentenaantallen en de maatschappelijke onwil en het onvermogen om steeds meer voor die groeiende tak van onderwijs te betalen. Douben: “Studenten praten over zo-en-zoveel bladzijden, over studiepunten, niet over het vergaren van kennis. Criteria daarvoor worden vastgesteld door een bestuurlijke bureaucratische mafia. Je moet wel een zekere afwijking hebben als je in het hoger onderwijs verder wil. Bovendien is er geen personeelsbeleid. Het 'industriële ideaal' is voorgebakken colleges op videoband vertonen en de goede docenten bewaren tot het einde van de onderwijsrit. Heel efficiënt, maar de studenten zijn al verprutst voor ze die rit hebben afgelegd.”

In eerdere versies van het advies aan minister Ritzen werden uit deze aanklacht tegen de verschoolsing van het hoger onderwijs radicale conclusies getrokken. Omwille van de aanvaardbaarheid van het advies in het hoger onderwijs zijn die wat afgezwakt, maar dezelfde gedachten liggen nog altijd ten grondslag aan het definitieve advies, dat tot stand kwam na uitgebreide discussies met betrokkenen uit de universitaire en HBO-wereld. Hogere opleidingen moeten, volgens die eerdere versies, idealiter alle gebaseerd worden op 'leerwerkplekken', waar de 'studenten' in de praktijk hun kennis kunnen opdoen. Zo'n leerwerkplek kan van alles zijn. Voor de geschiedenisstudie is het bijvoorbeeld de bibliotheek, voor de studie voor onderzoeker het onderzoeksinstituut, voor geneeskunde het ziekenhuis zoals dat nu ook al bestaat. De opleidingen moeten vorm krijgen in overleg met het 'afnemende beroepenveld', in een 'netwerk' van studenten en professionals.

Een opleiding kan in dit systeem meerdere 'accrediteringen' verkrijgen. De geschiedenisstudie kan bijvoorbeeld goedgekeurd worden door de organisatie van middelbare scholen vanwege de goede leraren die ze opleiden, maar ook door de verzekeringsbranche, omdat zij er goede allround denkers uit betrekt. Van Aalst: “Breng de interactie met professionals direct tot stand na het voortgezet onderwijs, en juist voor de studenten die nog niet weten wat ze willen gaan doen.”

Definitief advies

In het definitieve advies worden - iets voorzichtiger - vooral 'uitgangspunten voor richtingsverandering' geschetst. Van Aalst: “We benadrukken nu meer de variatie. In de bètaopleiding zal bijvoorbeeld veel hetzelfde blijven: sommetjes maken. Een algemene uitspraak valt niet te doen. De werkplek is nog wel een wezenlijk aspect van ons denken, maar hoe zich dat in de concrete situatie uitkristalliseert, is niet onze verantwoordelijkheid maar die van de eigenaar van die maatschappelijke activiteit.” Douben: “We willen het denken nog niet fixeren op bepaalde vormen of verhoudingen, dus we moeten het uniformerende element niet overdrijven.”

Maar het ministerie van onderwijs zal zijn monopolie op het hoger onderwijs wel moeten verlaten, beklemtonen Douben en Van Aalst. Van Aalst: “We moeten niet alle onderwijs concentreren op één ministerie. Daar moeten we tenminste ook Economische Zaken, WVC, Landbouw en Sociale Zaken bij betrekken.” Douben: “De verantwoordelijkheid uitsluitend bij O&W neerleggen betekent ook dat je maatschappelijk niet erkent dat die andere achtergronden en factoren een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling van het hoger onderwijs.” Van Aalst: “De rol van O&W zal erin bestaan de erkenningsregelingen, de acrediteringen, zichtbaar te maken voor het publiek, om informatie te verschaffen.”

De overheid kan - aldus het toekomstbeeld van het ARO-advies - via belastingfaciliteiten leerwerkplekken op de werkvloer mogelijk maken, maar de bedrijven, branches of verenigingen bepalen samen met de opleiding zelf wie ze toelaten: zij zijn de 'eigenaar' van de opleiding. Als er in de maatschappij geen belangstelling voor bestaat om een bepaalde opleiding op die manier mogelijk te maken, dan is het jammer. Dan bestaat er kennelijk geen behoefte aan. Voor bepaalde cultureel belangrijke opleidingen, zoals oud-Iraans of musicologie, kan de overheid subsidies verlenen. Dat er in deze denkwijze studenten zullen zijn die nergens een 'opleidingsplaats' zullen kunnen verwerven, is de prijs die betaald moet worden voor de nauwe band met de praktijk en de dynamiek van het stelsel. Want ook nu vallen studenten tussen de wal en het schip. Financiering

Voor de financiering van het stelsel van de toekomst denkt de ARO aan een soort voucher-systeem: vrij te besteden leerrechten, ongeacht de leeftijd, aangevuld met bovengenoemde rechtstreekse financiering van bepaalde opleidingen. “Maar”, zegt Van Aalst: “Als je in dit stadium concrete financieringsarrangementen bespreekt, en we hebben dat al een paar keer meegemaakt, dan vertaalt men dat onmiddellijk naar het huidige opleidingsstelsel.” Douben: “En dan klapt de discussie dicht.”

Dat velen te hoop zullen lopen tegen deze ideeën en dat ook de minister er niet direct concrete beleidspunten in zal vinden, vindt de ARO niet erg, integendeel. Douben. “We hebben geen draaiboek, willen we ook niet hebben, in het debat moet dat duidelijk worden. De ARO is er in de eerste plaats voor het op gang brengen van dat maatschappelijke debat. Wij zullen met de actoren in het veld in discussie gaan, onder leiding van een externe voorzitter. Discussies met parlementariërs, docenten, studenten, wergevers en beroepsgroepen en ten slotte met de bestuurders. Het gaat er uiteindelijk niet om of de minister aan ons advies wat heeft, het gaat erom of je ermee het hoger onderwijs kunt verbeteren.”

Dat de ARO wellicht binnenkort wordt opgeheven, in de grote schoonmaak van de adviescolleges van de overheid, heeft geen invloed gehad op het advies. Douben: “Dit is nog lang geen zwanezang”.