Techniek voor minder dan een Magnum

De demissionaire ministers Ritzen (onderwijs) en Andriessen (economische zaken) presenteerden afgelopen dinsdag een 'Actieplan Techniek Primair Onderwijs'. Doel van het plan is techniek in het basisonderwijs vaste voet in het lesaanbod te bieden. Een stuurgroep onder voorzitterschap van mevrouw Ginjaar-Maas moet de beschikbaar gestelde gelden, in totaal vijftien miljoen uitgespreid over vijf jaar, verdelen.

Ons land telt in totaal rond 8.000 basisscholen. Als er iets structureels dient te gebeuren, zullen deze allemaal bereikt moeten worden, niet een geselecteerd en beperkt aantal. Stel nu dat het beoogde budget geheel bij de doelgroep, de kinderen van 4-12 jaar, terecht komt. Dan leert een eenvoudig rekensommetje dat per kind per jaar een bedrag van ƒ1,88 kan worden uitgegeven. Daar koop je nog geen Magnum voor. En na die vijf jaar is het op en moeten de basisscholen het verder maar uitzoeken.

De Stuurgroep richt zich vooral op de opleidingen. De achterliggende gedachte is dat als de toekomstige leerkracht eenmaal voor de klas staat, er vanzelf een goede voedingsbodem voor Techniek aanwezig zal zijn. Maar geldt zowel in het onderwijs als in het bedrijfsleven niet sinds mensenheugenis de stelregel dat van jongste bediendes geen innoverende werking verondersteld mag worden?

Scholen, leerkrachten en kinderen verdienen een betere behandeling dan het Actieplan te bieden heeft. Komt het misschien door de lage status van het basisonderwijs? Het is toch nauwelijks voor te stellen dat wanneer de universiteiten in ons land iets structureels zouden moeten aanpakken, met al hun studenten, een bedrag van 3 miljoen bespreekbaar zou zijn.

Het Actieplan is misschien goed voor de paar scholen die voor techniek al ideale omstandigheden kennen, die staan te popelen aan de slag te gaan. Maar de overgrote meerderheid van de basisscholen zit met beperkingen. Daar wordt niet over nagedacht.

Scholen zullen in de huidige situatie wel uitkijken aan techniek te beginnen. Wie is bereid wat extra te doen wanneer hij daar zelf voor moet opdraaien? Met zijn allen hebben we er blijkbaar nauwelijks iets voor over om jonge mensen techniek aan te reiken. Wel voor kunstzinnige vorming, waar we per jaar zo'n 360 miljoen aan uitgeven, of aan natuur- en milieu-educatie met zijn 60-80 miljoen. Steekt de beschikbaar gestelde 3 miljoen voor techniek daar niet bijzonder schril bij af?

Toch is het voor kinderen van 4-12 jaar de moeite waarde op hun niveau met techniek in aanraking te komen. Techniek biedt vele mogelijkheden tot aanschouwelijk onderwijs, in de techniek is het fraaiste en boeiendste 'speelgoed' aan te treffen. En techniek is de grootste werkgever van ons land. Dan is het toch handig er meer van aan de weet te komen. Handig voor later, als je er - met of zonder baan - mee te maken krijgt.

Beslissingen om wel of niet voor techniek te kiezen worden voor een belangrijk deel rond het 10e levensjaar gemaakt. Dan is het toch gewenst voor deze keuzes enig houvast te bieden. Ook hier geldt dat preventie in een vroeg stadium goedkoper en beter is dan curatie in een latere fase. Alleen al daarom verdient het aanbeveling niet maar een eind weg te klungelen. Net als in de sport kan techniek niet buiten jeugd.