Stille meren

Een meer hoeft niet eens mooi gelegen te zijn. Als het maar stil is, en natuurlijk. De uitbreiding in deze eeuw van het merenbestand van de wereld heeft geen aanwinsten opgeleverd. Al die nieuwe meren zijn kunstmatig, aangelegd door ingenieurs van waterstaat en waterleiding, en het is aan ze te zien.

Van een afstand lijken ze soms nog wat, als het water glinstert tussen de bomen of als het zich ineens in een grote vlakte uitstrekt onder aan een helling, zodat de verraste wandelaars zich voelen als ontdekkers. Kijk, een mooi meer! Nee, toch geen mooi meer. Het wateroppervlak past niet aan de oevers en de begroeiing op de oevers voelt zich niet thuis bij het water. Er staat een levenloos betonnen gebouwtje op een leeg parkeerterrein omheind met gaas; en wie het bordje op het hek met hangslot leest ...

Waarom zouden wij het lezen? Zulke meren hebben meteen afgedaan, voor de eerstvolgende generaties. Hoeveel eeuwen moeten er overheen gaan voordat een meer het predikaat natuurlijk verdient! Een stuk of twee, naar schatting. Na tweehonderd jaar is er kans dat de geschonden aarde zich verzoend heeft met de kunstplas. Zo gaat het in het omgekeerde geval, van meren die land geworden zijn. De Haarlemmermeer, van honderdvijftig jaar geleden, is nog steeds onecht; de Beemster, twee keer zo oud, is in Noord-Holland opgenomen.

De andere voorwaarde, van stilte, wordt bijna altijd vervuld midden op meren als zij groot genoeg zijn; maar wie ervan profiteert heeft eerst als toerist meegedaan aan de verstoring van de rust op de oever. Cafes, pensions, hotels; mini-golfbanen, jachthavens, zonnestranden; en voorbij de boulevard de villa's van de welgestelden, uitkijkend op de overkant waar 's avonds de lichten van de zomerhuizen en de vermakelijkheden flonkeren tot een eind de bergen op. En zie, op de voorgrond glijdt nog tegen middernacht een kleurig verlichte rondvaartboot voorbij; wie de oren spitst hoort dat de opvarenden vergast worden op een muziekje.

Sommige pretmeren doen zich voor als stille meren 's ochtends vroeg, en 's winters, en in hun zijarmen waar de recreanten niet komen zelfs op een zomerdag. Het onderscheid tussen de soorten is niet haarscherp, en de stille merenliefhebber die bereid is tot compromissen heeft het minder moeilijk dan de purist. Van de Ploner See in Holstein is het noordelijke deel een vermaaksgebied, maar het zuidelijke ligt er een eind vandaan, buiten het gehoor en het gezicht. Een paar weken geleden zaten er onder een blauw-witte voorjaarslucht alleen twee fietstoeristen over hun landkaarten gebogen. Het meer, omlijst door bos en grasland, was roerloos zover als het oog reikte; geluiden waren er alleen van de futen en de eenden, want verkeer komt er niet.

Even onbewoond kan het lijken bij Virginia Water, hoe dicht dat ook bij London Airport ligt, in het zuiden van Windsor Great Park. Jaren geleden zat ik er op een boom die schuin over het water uitstak oog in oog met een baars die onbeweeglijk lag te staren, behalve dat zijn bek open en dicht ging met de regelmaat van een vertraagd uurwerk. Nergens op de paden van het bos dat het meer omgeeft was een menselijk gezicht te zien geweest. Er had een stelletje historische figuren aan kunnen komen, hovelingen van Koningin Victoria, pretmakend in een rijtuig, maar het park bleef verlaten, er waren alleen die ene vis en de watervliegjes.

In andere werelddelen liggen veel grotere eenzame meren, ver weg. Nog net op de grens van dichtbij en ver weg ligt midden in Ierland Lough Derravaragh. Volg voorbij Mullingar de richting Cavan en loop een bepaald voetpaadje op bij Crookedtown: daar strekt het meer zich uit, omringd door heuvels waartussen het in de verte uit het zicht buigt. Twintig jaar geleden was het er licht zomerweer, en het gras was droog. De enige menselijke aanwezigheid was een visser met een korte hengel in een roeiboot. Na tien minuten kijken viel ik met het landschap in gedachten in slaap op het gras, opgenomen in de buitenwereld in plaats van weggestopt in een slaapkamer. Toen ik wakker werd een half uur later was het uitzicht onveranderd, met visser en al. Bij oplettend luisteren kon ik horen dat de wind suisde en dat er een motor aansloeg en onhoorbaar werd achter de heuvels. Langer blijven hoefde niet, terugkomen evenmin; het meer had zijn plaats in de herinnering verzekerd. Zo zijn de stille meren. Als Lough Derravaragh niet veranderd is ligt het er nog steeds zo.