Raadslieden: OM voert hetze tegen geldwisselaars

AMSTERDAM, 16 JUNI. Het openbaar ministerie moet niet ontvankelijk worden verklaard in de zaak tegen de zes Israelische geldwisselaars. Dat betoogde gisteren advocaat A. Moszkowicz voor de rechtbank in Amsterdam in de zogeheten 'Gouden Kalf'-zaak. Het zijns inziens 'dreigende en intimiderende' optreden van de Amsterdamse officier van justitie M. van Capelle in deze zaak, had de verdediging onevenredig in haar werk beperkt.

Van Capelle dreigde vorige week tijdens een zitting voor de Amsterdamse rechtbank een advocaat uit de zaal te laten verwijderen, omdat hij een proces-verbaal had gegeven aan een journaliste. Volgens Moszkowicz, en de andere strafpleiters volgden hem daarin, past het optreden van Van Capelle in de hele campagne die door Justitie tegen de geldwisselaars is gevoerd. Hij verwees naar de televisie-uitzending van NOVA waaraan politie en OM hadden meegewerkt en waarin “een stroom van negatieve publiciteit over de verdachten op gang is gebracht”.

De Israeliërs exploiteerden een vijftal wisselkantoren in Amsterdam. Aanvankelijk werden zij ervan verdacht drugstransporten te hebben gefinancierd en drugsgelden te hebben witgewassen. De behandelende officier mr. A. Schotman liet tijdens het proces de beschuldiging inzake betrokkenheid bij drugshandel vallen, maar handhaafde schuldheling, oplichting, belastingfraude en hulp bij het witwassen van uit misdrijven verkregen gelden.

Op dat laatste punt kwamen de raadslieden gisteren uitvoerig terug. De beschuldiging van heling, aldus mr. H. Loonstein, is gebaseerd op het vermoeden van betrokkenheid bij handel in verdovende middelen. Die handel, zo betoogde hij, is nooit bewezen. De getuigen die een verband zouden leggen tussen de Israelische geldwisselaars en Colombiaanse drugshandelaren spraken elkaar, volgens de verdediging, op cruciale punten tegen. Vooral bij de waarde van de getuigenis van de Nederlandse kroongetuige in Italië, Bettine M., werden grote vraagtekens gezet.

Moszkowicz betoogde voorts dat ook 'heling' niet goed aan zijn cliënt ten laste kon worden gelegd omdat aan heling altijd de beschuldiging ten grondslag ligt van een vermogensrechtelijke benadeling. Welke 'vermogensrechten van een ander' zijn in deze zaak geschonden, vroeg hij zich af. Zo de verdachten al gelden hadden gewisseld afkomstig uit de handel in verdovende middelen, dan nog was het volgens de raadsman de vraag of van 'heling' sprake kon zijn.

De verdachten waren zich van geen kwaad bewust. Zij wisten niets over de eventueel illegale herkomst van het geld, zouden juist terughoudend hebben gehandeld waar zij iets van witwassen vermoedden. Officier van justitie Schotman heeft vorige week tot vijf jaar cel tegen de verdachten geëist.