Nederland in actie tegen Amerikaanse anti-drugbeleid; Protest tegen drugtest piloten

WASHINGTON/AMSTERDAM, 16 JUNI. De Nederlandse overheid heeft deze week bij de Amerikaanse regering geprotesteerd tegen Amerikaanse plannen om Nederlandse piloten die op Amerika vliegen aan alcohol- en drugtests te onderwerpen.

In de demarche pleit Nederland voor verder overleg met de Amerikanen in de ICAO, de Internationale Civiele Luchtvaartorganisatie in Genève. Deze organisatie probeert al enkele jaren afspraken in internationaal verband te maken. Als dat niet lukt wil het Amerikaanse congres het testen van niet-Amerikaanse piloten in Amerika vanaf 1 januari 1996 verbieden. Amerikaanse piloten worden al sinds 1991 getest op druggebruik en vanaf volgend jaar ook op alcoholmisbruik.

Nederland was een maand geleden een van de negentien landen die samen met de Europese Commissie een multilaterale demarche ondertekenden tegen de voorgestelde Amerikaanse wetgeving. Onder andere België, Frankrijk, Engeland, Duitsland, Japan en Nieuw-Zeeland wijzen daarin op het feit dat internationale wetten overtreden zouden worden als de Amerikanen daadwerkelijk tot het testen van niet-Amerikanen zouden overgaan. Volgens de negentien landen zijn de kosten voor niet-Amerikaanse bedrijven ook veel hoger dan voor Amerikaanse, omdat er extra personeel meemoet op de Atlantische vluchten.

De voorgestelde anti-drugwetgeving is een verlaat resultaat van de 'Oorlog tegen Drugs' van voormalig president Ronald Reagan. De 'oorlog' was op haar hoogtepunt toen een algemene anti-drugwet eind jaren tachtig werd geïntroduceerd in het Congres. Een in 1986 genomen presidentieel besluit maakte het toen al mogelijk om het Amerikaanse overheidspersoneel en de militairen te testen op druggebruik.

Een zwaar metro-ongeluk in New York, waarbij drie mensen omkwamen, bracht ook de transportsector onder de aandacht. In de bestuurderscabine van de metro werd na het ongeluk een plastic zakje gevonden waar crack in had gezeten. Mede naar aanleiding van dit incident besloot het Congres dat alle bestuurders en monteurs in de transportsector zich voortaan moesten laten testen. Sinds 1991 wordt jaarlijks de helft van de zeveneneenhalf miljoen betrokken werknemers getest op sporen van cocaïne, marihuana, amfetaminen, PCP en opiaten.

Vooruitlopend op de wetgeving waren Amerikaanse luchtvaartmaatschappijen al in 1990 begonnen met testen. In deze transportsector gaat het om bijna 350.000 mensen. Uit cijfers van het Amerikaanse ministerie van transport blijkt dat tussen 1990 en 1992 minder dan een procent van de drugtests positief was. Tijdens de voorbereiding van de wet sprak het ministerie nog over een mogelijke tien procent. In de meeste gevallen ging het om marihuana en cocaïne. Van marihuana is bekend dat het een aantal weken na gebruik nog een positief resulaat geeft bij een test.

De drugtests geven aan dat er drugs gebruikt zijn, niet of de betrokken persoon een veiligheidsrisico is. Dat zou bijvoorbeeld wel kunnen worden nagegaan met een vluchtsimulator. Op deze manier zou ook de inbreuk op de privacy, die het onvrijwillig testen op drugs met zich mee brengt, achterwege kunnen blijven. Volgens Kevin Zeese, vice-president van de Drug-policy Foundation, een denktank in Washington die zich bezighoudt met het Amerikaanse drugbeleid, een voorbeeld van hoe het beter kan. “De regering zegt dat het haar om de veiligheid te doen is, maar in werkelijkheid wil ze alleen maar de wetten op illegaal druggebruik uitvoeren”, zegt Zeese.

De kosten van de tests liggen voor de Amerikaanse vliegtuigmaatschappijen in totaal op ongeveer 25 miljoen dollar per jaar. Voor buitenlandse maatschappijen zouden de kosten relatief hoger komen te liggen, omdat er meer personeel mee moet naar Amerika. Een getest bemanningslid mag niet meteen doorvliegen.

Belangenorganisaties van de betrokken Amerikaanse bedrijven lobbyen nu bij het ministerie van transport om het aantal tests, en daarmee de kosten, omlaag te krijgen. Volgens Joi Sprague, van de National Air Transportation Association, gaat het percentage dat jaarlijks getest moet worden binnenkort naar 25 procent. “Wij vinden dat gezien het lage aantal positieve tests nog te hoog, maar in elk geval heeft het ministerie van Transport er wel iets van geleerd. Het testpercentage voor alcoholmisbruik begint met 25 procent”, zegt Sprague. Hiermee wordt in Amerika in 1995 begonnen.

Dat alcoholmisbruik pas over een jaar en bovendien minder stringent dan drugs wordt onderzocht, is verbazend te noemen. Alcoholmisbruik is een veel groter probleem in de luchtvaart dan drugs, maar alcohol is legaal en heeft een grote lobby achter zich staan. Volgens een onderzoek van het ministerie van transport was alcohol een duidelijke factor in elf vliegtuigongelukken in Amerika in de periode 1975-1986.

Een ander argument dat het Amerikaanse ministerie noemt om in de luchtvaartindustrie op alcohol te testen was een voorval met KLM-partner Northwest Airlines. In 1990 werden drie piloten van Northwest veroordeeld voor het vliegen onder invloed. De kapitein verklaarde later dat de bemanning tot 2 uur 's nachts had gedronken, hijzelf twintig rumcola's, terwijl zij die ochtend om 6 uur alweer gingen vliegen.

Als er internationale afspraken worden gemaakt over het aan banden leggen van alcohol en drugs in de luchtvaart, dan is Amerika bereid het op stapel staande wetsvoorstel over het testen van niet-Amerikaanse piloten terug te trekken. Maar volgens een woordvoerder van het ministerie van transport zou een ongeluk met een niet-Amerikaans vliegtuig, waar ook maar enige verdenking van alcohol- of druggebruik bestaat, internationale overeenkomsten op dit gebied teniet doen en dan wordt op 1 januari 1996 met de tests begonnen.