Man doet meer in huishouden

ROTTERDAM, 16 JUNI. De herverdeling van betaald en onbetaald werk zet langzaam maar gestaag door. Vrouwen gaan steeds meer buitenshuis werken, mannen gaan meer in het huishouden doen. In gezinnen waarin man en vrouw allebei meer dan dertig uur per week buitenshuis werken, besteden ze nagenoeg evenveel uren aan huishoudelijke arbeid.

Dit staat in de vandaag verschenen Sociale en Culturele Verkenningen 1994, het jaarlijkse rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Dit jaar besteedt het bureau veel aandacht aan de deelname aan de arbeidsmarkt en de verdeling van onbetaalde arbeid tussen mannen en vrouwen, aan de produktiviteit in de kwartaire sector, criminaliteit en strafrechtspleging, en aan sociale vernieuwing.

Het aantal vrouwen met een baan is de afgelopen zes jaar met een kwart gestegen tot meer dan twee miljoen. Hoe meer vrouwen buitenshuis werken, hoe minder uren ze aan het huishouden besteden. Een full-time huisvrouw besteedt 44,5 uur per week aan het huishouden, een vrouw met een baan van meer dan dertig uur 18,5 uur. Het verschil van 26 uur per week wordt bij lange na niet goed gemaakt door een extra bijdrage van haar partner. Mannen met een (vrijwel) full-time werkende vrouw doen weliswaar meer in het huishouden dan mannen met een huisvrouw, maar het verschil bedraagt slechts 1,4 uur per week. Wanneer vrouwen buitenshuis gaan werken, wordt er gewoon minder in het huishouden gedaan. Overigens doen mannen wier partner een deeltijdbaan heeft zelfs minder in het huishouden dan mannen met een huisvrouw.

De afgelopen twintig jaar zijn vrouwen gemiddeld 2,5 uur per week minder tijd aan het huishouden gaan besteden. Dit geldt zowel voor huisvrouwen als voor vrouwen met een baan. Mannen zijn de afgelopen twintig jaar gemiddeld één uur meer aan het huishouden gaan besteden.

De tijd die mensen aan betaalde arbeid besteden is de afgelopen decennia gestaag afgenomen. In 1950 kostte een full-time baan nog bijna 2400 uur per jaar, nu is dat minder dan 1800 uur. Doordat er steeds meer mensen, vooral vrouwen, in deeltijd werken, spendeert de gemiddelde werknemer nu minder dan 1500 uur per jaar aan zijn werk. Arbeidstijdverkorting en deeltijdwerk verklaren dan ook dat het aantal mensen met een baan sinds 1960 met 53 procent is toegenomen, terwijl de werkgelegenheid in arbeidsuren in al die jaren bij elkaar met slechts vijf procent toenam.

Het niveau van werkgelegenheid (in uren) van 1969 is daarna nooit meer gehaald.