Imago Arafat brokkelt snel af; Palestijnse intellectuelen kritiseren one-man-show

De Palestijnse intelligentsia levert steeds meer kritiek op Arafat. Zij vreest 'door Tunis' opzij te worden geschoven.

GAZA, 16 MEI. Sami Abu Samhadaneh is een zwierig, kettingrokend jongmens met veel charme en zelfvertrouwen. Als een leider van de Fatah-haviken in de Gazastrook, de gewapende vleugel van de Palestijnse guerrillabeweging Al-Fatah, was hij tijdens de intifadah één van de door Israel meest gezochte personen. Hij bracht negen jaar door in administratieve hechtenis (dat is gevangenisstraf of huisarrest zonder een rechterlijk vonnis). Hij behoort tot de grootste Bedoeïenen-stam in de Arabische wereld, de Tarabin, en is nu projectontwikkelaar geworden. Een achtenswaardig man dus, die zich echter niet stoort aan het bevel van de Palestijnse politiecommandant, generaal-majoor Nasser Yussuf, om niet gewapend op straat te gaan. Hij draagt, zichtbaar voor iedereen en precies zoals PLO-leider Yasser Arafat, een revolver.

“De situatie verontrust mij zeer”, zegt hij. “Niemand weet krachtens welke wetgeving we nu eigenlijk worden bestuurd. Volgens de Britse wetgeving, die in de bezette gebieden ten dele van toepassing is, staat op het bezit van wapens de doodstraf, volgens de Jordaanse wetgeving mag je thuis wapens hebben en volgens de Egyptische wetgeving, die in de Gazastrook gold, ga je daarvoor de gevangenis in. Ikzelf heb nog steeds een machinegeweer om me te beschermen, omdat er geen duidelijke wetten zijn en omdat er nog steeds joodse kolonisten zijn.” Hij heeft geen ongelijk; de afgelopen dagen hebben de nabestaanden van hen die met Israel collaboreerden en daarom gedood werden, wraak willen nemen op Fatah-haviken. Dat was twee dagen geleden voldoende reden voor één van de leidende officieren van de binnenlandse veiligheidsdienst om bekende “intifadah-activisten en helden” wapens voor hun zelfverdediging te beloven.

Hij zegt niet bang te zijn voor een burgeroorlog. “Maar het is natuurlijk een feit dat Nasser Yussuf tot dusverre een buitenstaander is, die de situatie hier niet kent. Als je hier twee jaar weg bent, ben je een vreemdeling geworden. Het kost maanden om je weer in te werken. Het maakt mij niets uit of Nasser Yussuf het begrijpt, het gaat mij alleen om de rechtshandhaving. We hebben een zitting nodig van de Palestijnse Nationale Raad (het Palestijnse parlement-in-ballingschap) om Palestijnse wetten op te stellen. Als er geen wetgeving is, is alles mogelijk.”

Nu Arafat binnenkort naar Palestina terugkeert, bereidt men zich voor op een warme ontvangst. Op de vraag hoe ontroerd híj dan zal zijn, reageert Abu Samhadaneh koeltjes: “Het maakt mij weinig uit of Abu Ammar (de koosnaam voor Arafat) al dan niet komt. Ik ben wel blij, maar ik zal er zeker niet bij huilen.”

Die reactie is typerend voor het overgrote deel van de Palestijnse intelligentsia en middenstand. Jarenlang was Abu Ammar voor hen de Grote Vader, het symbool bij uitstek van de Palestijnse strijd voor vrijheid en onafhankelijkheid, een haast mythische figuur die men kon beminnen omdat hij ver weg was. Maar die romantische relatie tussen Leider en volk is sinds ongeveer een jaar in snel tempo afgebrokkeld. Zijn leiderschap stuit op steeds grotere kritiek, naarmate het ogenblik van zijn terugkeer naar Palestina dichterbij komt. En er komen steeds meer politieke moppen over hem in omloop.

De frustraties werden aangewakkerd toen de bijzonderheden van het akkoord van Kairo met Israel bekend werden. De Palestijnse intellectuelen en technocraten vinden bijna unaniem het akkoord een van de slechtste afspraken die de PLO ooit heeft gemaakt. Zij zijn ervan overtuigd dat Arafat - als hij maar beter naar de Palestijnen in de bezette gebieden had geluisterd - een veel betere overeenkomst had kunnen sluiten. Vandaar, dat bij een diner de beschuldigingen aan zijn adres over de tafel rollen. Hij zou Egyptenaar zijn en geen echte Palestijn. “Onzin”, verkondigt de gastheer, “Arafat is gewoon een Palestijn en een verrader.” “Nee”, zegt één van zijn gasten, een advocaat, “je overdrijft; hij is alleen een buitengewoon slecht koopman.” Een vierde vindt dat het Palestijnse volk een betere leider verdient. “Niemand in de Arabische wereld liegt als hij. In Damascus zegt hij iets anders dan in Kairo, en in Kairo zegt hij het tegenovergestelde van wat hij in Bagdad beweert. En wij, Palestijnen, worden aan de lopende band door hem bedrogen.”

Vroeger plachten Palestijnen ook wel deze beschuldigingen te uiten, maar altijd strikt onder vier ogen. Nu gebeurt dat openlijk en lijkt niemand bang te zijn voor de gevolgen. Alleen Arafats directe aanhangers binnen Al Fatah - en dan nog alleen zij die een benoeming aan hem te danken hebben of op een benoeming hopen - laten zich minder kritisch uit.

Die omslag is het gevolg van het vredesproces met Israel, legt één van de vroegere onderhandelaars in Washington uit. “Zij die tijdens de intifadah met zijn chaotische en autoritaire aanpak werden geconfronteerd, gaven er de voorkeur aan te zwijgen. Alle energie moest op de gemeenschappelijke vijand, Israel, worden gericht. Dus spaarde men zoveel mogelijk het nationale symbool van die strijd. Maar nu we aan het begin staan van een Palestijnse staat, kunnen we het ons niet langer veroorloven te zwijgen. Want als we nu daarmee doorgaan, komt er van democratie niets terecht. En zonder democratie zal de opbouw van de Palestijnse staat niet lukken. Dan zullen de gelden van de donorlanden in privé-zakken verdwijnen - een herhaling van hetgeen er in de PLO gebeurde met de gelden van de Arabische oliesjeiks. Dan zal er geen controle zijn op de uitgaven en inkomsten. En dat zou catastrofaal zijn. Want wij, Palestijnen, hebben geen natuurlijke hulpbronnen en heel weinig vrienden. We hebben alleen onze hersens en opleiding om onze staat op te bouwen. En we kunnen dat alleen doen in een democratie, die onze leiders controleert. En alleen als de privé-ondernemers en -investeerders die de economie van de grond moeten krijgen, niet door de overheid worden tegengewerkt.”

Er wordt nu openlijk gesproken over “de one-man-show van Arafat” en “de pseudo-democratie van de Palestijnse Nationale Raad, waarin alles van tevoren door de Leider bekokstoofd wordt”. Die kritiek in alle geledingen wordt gevoed door het gevoel dat men 'door Tunis' opzij wordt geschoven.

Jonathan Kuttab bij voorbeeld, bekend als advocaat en activist voor de Palestijnse mensenrechten, werd door Arafats hoofdonderhandelaar en loyaalste adviseur, Nabil Sha'ath, dringend verzocht onverwijld naar Kairo te komen om daar de Palestijnse onderhandelingsdelegatie van advies te dienen. “Ik heb, terwille van de nationale zaak, meteen alles laten liggen toen Nabil Sha'ath mij belde. Maar in Kairo heb ik drie dagen op mijn hotelkamer gewacht, zonder dat iemand contact met mij opnam. En daarna werden mijn adviezen genegeerd.” Volgens Kuttab beschikte de Israelische delegatie over deskundigen, die alles checkten met andere technici buiten hun delegatie. “Zij hadden een heel apparaat, terwijl aan Palestijnse zijde twee 80-jarigen de hoofdrol speelden. Wij, Palestijnse technici, werden er bijgehaald, opdat men later kon zeggen dat wij geraadpleegd waren. Maar in feite was niemand in onze adviezen geïnteresseerd.”

Wat Kuttab in Kairo overkwam, was in feite een herhaling van hetgeen zich in Washington had afgespeeld bij de bilaterale onderhandelingen. Toen werden de onderhandelaars uit de bezette gebieden eveneens door Tunis als overbodig behandeld. Geen wonder dat de Palestijnse intelligentsia zich - met een beroep op de noodzaak van democratie - steeds openlijker afzet tegen het eigengereide en autoritaire optreden van Arafat. Twee maanden geleden werd dan ook het idee geboren om een nationale conferentie van 1500 intellectuelen uit de bezette gebieden bijeen te roepen. Deze moest de PLO in Tunis corrigeren en het vredesproces met Israel bijstellen. Maar tijdens de voorbereidingen bleek dat de man in de straat in de Gazastrook tot bijna elke regeling met Israel bereid was en dat men er op de Westelijke Jordaanoever, waar het economisch veel beter gaat, diep verdeeld op reageerde. De intifadah had de mensen te zeer uitgeput; men snakte naar rust of op zijn minst een adempauze. Daarom gaven de initiatiefnemers het idee van de conferentie op. Professor Sabella, die sociologie doceert aan de universiteit van Bethlehem, was al eerder tot dezelfde conclusie gekomen. Bij een onderzoek twee jaar geleden bleek tot zijn verbazing dat de mensen in de vluchtelingenkampen meer bereid waren tot vrede met Israel dan de mensen uit de steden.

De door Arafat in het Palestijnse Bestuur benoemde minister van justitie, Freih Abu Medien, bevestigt die bevindingen: “De mensen denken via hun buik. De situatie is heel slecht. De donoren maken nog steeds hun toezeggingen niet waar. OK, misschien was de leiding in het verleden wel corrupt. Geef het geld dan via de UNRWA (de VN-organisatie voor hulp aan de Palestijnse vluchtelingen). We hadden tot nu toe zelfs geen geld om onze gevangenen eten te geven. Wij hebben de Golfstaten opgebouwd. En wij bouwden 27 jaar lang Israel - dat is onze tragedie. Maar nu het moment is aangebroken om aan de opbouw van onze eigen staat te beginnen, hebben we daarvoor geen geld.”