Huishouden én baan kosten minder tijd

Nederlanders werken steeds minder. Was een voltijdbaan in 1950 nog bijna 2.400 uur per jaar, nu is dat minder dan 1.800. De verdeling van het werk is wel veranderd: vooral vrouwen zijn meer gaan werken, veelal in deeltijd. Vrouwen zijn de afgelopen twintig jaar minder tijd aan het huishouden gaan besteden, ongeacht of ze een baan hebben of niet. Mannen doen wel iets meer in huis, maar compenseren het verlies aan huishoudelijke arbeidsuren van hun partner niet volledig. Er wordt gewoon minder gedaan in huis, vooral bij tweeverdieners. Dit staat in Sociale en Culturele Verkenningen 1994, een rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau dat vandaag is verschenen.

HUISHOUDEN

Mannen gaan steeds meer tijd aan het huishouden besteden. In gezinnen waarin beide partners meer dan dertig uur per week buitenshuis werken, besteden zij inmiddels nagenoeg evenveel tijd aan huishoudelijke werkzaamheden. De toename van de bijdrage van mannen aan het huishouden is echter kleiner dan de afname van de bijdrage van vrouwen.

De hoeveelheid tijd die al dan niet gehuwd samenwonende vrouwen aan het huishouden besteden, is sterk afhankelijk van een eventuele baan. Full-time huisvrouwen besteden gemiddeld 44,5 uur per week aan het huishouden. Vrouwen met een kleine deeltijdbaan besteden nauwelijks minder tijd aan het huishouden, gemiddeld ruim 41 uur. Indien vrouwen meer dan tien uur per week werken, loopt hun aantal huishoudelijke arbeidsuren aanzienlijk terug. Vrouwen die meer dan dertig uur per week buitenshuis werken, besteden zelfs maar 18,5 uur aan het huishouden. In alle gevallen is dat ongeveer tweeëneenhalf uur minder dan in 1980, ongeacht het aantal gewerkte uren.

De afnemende bijdrage van werkende vrouwen aan het huishouden wordt bij lange na niet gecompenseerd door een grotere inzet van hun partner. Gemiddeld is de bijdrage van gehuwde en samenwonende mannen aan het huishouden in tien jaar met één uur per week toegenomen. Mannen met een full-time huisvrouw besteden bijna zestien uur per week aan het huishouden, mannen wier vrouw meer dan dertig uur per week buiten de deur werkt ruim zeventien.

In gezinnen waarin beide partners (nagenoeg) full-time werken, doen ze dus ook ongeveer evenveel in het huishouden. Wel besteden zulke gezinnen in totaal ongeveer vijftien uur per week minder aan het huishouden dan gezinnen met een 'echte' huisvrouw.

Wanneer de huishoudelijke taken in groter detail worden beschouwd, dan valt op dat de tijd die aan de verzorging van kinderen wordt besteed bij vrouwen met jonge kinderen de afgelopen vijftien jaar met bijna zes uur per week is toegenomen, bij mannen met bijna drie uur. In het algemeen is de ongelijkheid tussen vaders en moeders in de tijd die ze besteden aan de verzorging van kinderen de afgelopen jaren iets toegenomen. De onderzoekers vatten de groei van de tijd die wordt besteed aan de verzorging van jonge kinderen op als een pleidooi voor de wenselijkheid van ouderschapsverlof en voor mogelijkheden om in deeltijd te werken.

Wanneer de uren betaald werk en huishoudelijk werk (inclusief de verzorging van kinderen) worden opgeteld, blijken mannen en vrouwen ongeveer even zwaar belast. Stellen met jonge kinderen maken de meeste uren, gemiddeld zo'n 57 per persoon per week, acht uur meer dan stellen van wie het jongste kind boven de veertien is. De omvang van de totale tijdsbesteding van vaders maakt duidelijk, aldus de onderzoekers, dat een herverdeling van huishoudelijke en verzorgingstaken tussen mannen en vrouwen niet erg voor de hand ligt als er niet tegelijk een herverdeling van betaalde arbeid plaatsheeft.

STRAFRECHT

De kans dat een inbreker in de gevangenis belandt, is tussen 1970 en 1990 met 75 procent afgenomen. Weliswaar wist de politie in 1992 drie keer zo veel inbraken op te helderen als in 1970, maar dit succes wordt volledig gecompenseerd doordat het aantal inbraken in dezelfde tijd is verachtvoudigd. Nu wordt slechts tien procent van alle bij de politie aangegeven inbraken opgehelderd.

Dat de kans van een inbreker op gevangenisstraf zo sterk is afgenomen, komt echter niet alleen door de drastisch afgenomen 'pakkans'. Ook inbrekers die wel voor de rechter komen, hebben minder kans om in de cel te belanden dan in 1970. Vaker dan toen deelt de rechter boetes en voorwaardelijke gevangenisstraffen uit. Van de schuldig bevonden inbrekers krijgt circa dertig procent een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In 1970 was dit nog veertig procent.

Van alle misdrijven is inbraak de afgelopen decennia verreweg het meest in aantal gestegen. Overigens is die groei enigszins vertekend. Door vergelijking van politiestatistieken met de resultaten van slachtofferenquêtes blijkt dat een steeds groter deel van de criminaliteit wordt aangegeven bij de politie.

Het aantal aangegeven gevallen van geweldscriminaliteit per hoofd van de bevolking is sinds 1970 verdrievoudigd. Ook hierbij is het aantal ophelderingen toegenomen, maar die toename bleef achter bij de toename van het aantal delicten. Kortom, ook voor geweldsdelicten is de 'pakkans' afgenomen. Desalniettemin ligt het ophelderingspercentage nog altijd rond de vijftig procent, vijf keer zo hoog als dat voor inbraken. Dat het slachtoffer doorgaans de dader heeft gezien, maakt de opsporing gemakkelijker. Verdachten van geweldsdelicten die terecht staan, hebben overigens net zoveel kans in de gevangenis terecht te komen als in 1970, circa 25 procent.

Politie en rechtspraak zijn tussen 1980 en 1992 aanzienlijk versterkt. Bij de politie nam de personeelssterkte toe met 6 procent, bij de rechtspraak met 42 procent. Ook namen de materiële budgetten toe: bij de politie met 30 procent, bij de rechtspraak met meer dan honderd. Met name bij de rechtspraak staat hier een drastische daling van de produktiviteit tegenover: het aantal afgehandelde zaken per rechter is met een kwart afgenomen. De richting van deze ontwikkeling is overigens bewust beleid geweest: het was de bedoeling om de rechter te ontlasten. Maar of dit beleid de daling van de produktiviteit in zijn geheel verklaart, is onduidelijk.

De onderzoekers van het SCP tonen zich pessimistisch over de gevolgen van de reorganisatie van de politie. Volgens hen zou de optimale grootte van een politiekorps tussen de tweehonderd en driehonderd mensen liggen. Sinds de 148 gemeente- en rijkspolitiekorpsen zijn samengevoegd tot 25 nieuwe regionale politiekorpsen, zitten alle korpsen ver boven die aantallen.

ARBEIDSMARKT

Ondanks de sterke groei van de werkgelegenheid in de tweede helft van de jaren tachtig, is de totale werkgelegenheid in arbeidsuren sinds 1960 niet noemenswaardig toegenomen. De toename bedroeg ruim vijf procent, in 23 jaar.

Toch bedraagt het aantal mensen met een baan nu 1,8 miljoen mensen meer dan in 1960, een toename van 43 procent. Indien ook mensen met een baan van minder dan twaalf uur per week worden meegeteld, zijn er zelfs 2,3 miljoen mensen met een baan bijgekomen (53 procent). Dat komt vooral door herverdeling van arbeid, niet doordat nieuwe arbeid is geschapen. Het hoogtepunt in werkgelegenheid in Nederland uitgedrukt in aantal arbeidsuren lag in 1969.

De grootscheepse herverdeling van arbeid heeft zich langs twee wegen voltrokken: verkorting van de werkweek en toename van deeltijdarbeid. De verkorting van de werkweek verklaart tweederde van het aantal extra banen, de uitbreiding van deeltijdwerk eenderde. De toename van deeltijdwerk hangt nauw samen met de verdubbeling sinds 1960 van het percentage vrouwen met een baan. De afgelopen zes jaar alleen al groeide het aantal deeltijdbanen met 300.000.

Het zijn echter niet alleen vrouwen die in deeltijd willen werken. Uit een enquête in 1992 bleek dat een op de acht mannen met een voltijdbaan liever in deeltijd zou werken. Toch is het aantal mannen dat daadwerkelijk in deeltijd werkt de laatste zes jaar zelfs afgenomen met 31.000. De onderzoekers van het SCP laten zich er niet over uit hoe dit komt. Bekend is dat veel werkgevers, vooral in de marktsector, de wens van medewerkers om in deeltijd te werken blokkeren.

In de kwartaire sector (openbaar bestuur, defensie, sociale verzekeringen, de zorgsector en de sociale en culturele instellingen) werkt 42 procent van alle werknemers in deeltijd. In de marktsector is dit 30 procent. Er is wel een belangrijk verschil; in de marktsector gaat het daarbij voor bijna de helft om kleine deeltijdbanen van minder dan 12 uur per week, terwijl in de kwartaire sector slechts een op de zeven deeltijdbanen kleiner dan 12 uur per week is. De grote groei van het aantal deeltijdbanen tussen 1987 en 1993 zat voor tweederde in die kleine deeltijdbanen in de marktsector.

Ondanks alle retoriek over bezuinigingen zijn er in de kwartaire sector de afgelopen zes jaar bijna 230.000 banen bij gekomen. In welke mate die toename te danken is aan herbezetting van arbeidstijdverkorting, meer deeltijdbanen of een toename van het aantal arbeidsuren in de sector, vermelden de SCP-onderzoekers niet.

Werk is ongelijk over de bevolkingscategorieën verdeeld. Van alle inwoners tussen 15 en 65 jaar heeft 57 procent een baan van minimaal twaalf uur per week. Voor vrouwen en verscheidene categorieën buitenlanders ligt dit percentage veel lager. Van alle Turkse inwoners van Nederland tussen de 15 en 65 jaar heeft 31 procent een baan, bij Marokkanen is dat slechts 19 procent.