Honkbalteams ruziën over korte stop

ALMERE, 16 JUNI. De schaatsers strijden tegen de Noren, de korfballers tegen de Belgen en de nationale honkballers doen het met de Italianen. De kleine sporten in Europa danken hun bestaansrecht aan twee toonaangevende landen. Vandaar dat het Europa Cup 1-duel tussen de honkballers van Neptunus en Nettuno een beladen duel was, gisteravond in Almere. Zo beladen dat de teamleiding van de Rotterdamse landskampioen na de kansloze 12-6 nederlaag een officieel, maar inmiddels afgewezen protest indiende. De haat en nijd tussen beide honkbalnaties mag dan volgens Neptunus-coach Charles Urbanus verleden tijd zijn, “een gezonde en emotionele rivaliteit zal er altijd blijven”.

In het programmablad wordt de Italiaanse korte stop Ruggero Bagialemani nog als een grote vriend welkom geheten. 'Een aardige ambtenaar uit Nettuno, een kleine badplaats ten zuiden van Rome.' Maar de vriendelijke woorden kregen geen vervolg, toen Bagialemani na de officiële inschrijfdatum in Nederland arriveerde. Zijn fraaie naam stond niet officieel geregistreerd op het wedstrijdformulier. Bagialemani verbleef wegens tragische familie-omstandigheden een etmaal voor aanvang van het toernooi nog in zijn vaderland. Zijn meespelen zou onreglementair zijn, omdat volgens Neptunus-woordvoerder Van der Sande “een honkballer 24 uur voor aanvang van het toernooi fysiek aanwezig moet zijn”. Maar de Europese honkbalbond CEB wees vanochtend het protest af omdat de bond door Nettuno op de hoogte was gesteld van de late aankomst van Bagialemani.

Het lijkt hoe dan ook onwaarschijnlijk dat de twee clubs zich niet plaatsen voor de kruisfinales, die zaterdag in Den Haag worden gespeeld. De nummer twee uit poule B moet het dan opnemen tegen de Nederlandse titelhouder ADO, dat in poule A geen serieuze tegenstand te duchten heeft. Belgische, Spaanse, Zweedse, Franse, Tsjechische en Russische clubs: ze vormen al veertig jaar het wormvormig aanhangsel van de Europese honkbalsport.

Nederland en Italië bepalen de hiërarchie, bestrijden elkaar sinds de jaren vijftig binnen en buiten het veld. Een haat-liefdeverhouding tussen twee landen die elkaar inspireren. De onderlinge prestatiecurve is een golfbeweging. Het verhaal van de vette en de magere jaren lijkt ook op te gaan voor de Europese honkbalsport, die het grote werk zonder gêne afkijkt van de Amerikanen, de uitvinders van de ballgame. Zonder hen geen pruimtabak op de velden in Europa.

Nederland domineerde het Europese honkbal in de jaren zestig, toen Antillaanse spelers furore maakten. De Italianen reageerden hun frustratie af door Amerikaanse spelers met een Italiaanse achtergrond een tweede paspoort te verstrekken. John werd Gianni en Gianni was veel te sterk voor de Hollandse polderjongens die het inmiddels zonder de Antilliaanse sterren moesten stellen. De laatste jaren telt Nederland weer mee dankzij het verzwakte, want 'gezuiverde' Italiaanse team. Tegelijkertijd werpt de eigen jeugdopleiding haar vruchten af. Vorig jaar werd het Nederlands team zeer overtuigend Europees kampioen. ADO en Neptunus wonnen de Europa Cup voor clubteams.

Maar de succesvolle jeugdopleiding heeft ook een keerzijde. De nationale kweekvijver wordt sinds kort leeggevist door de Amerikaanse topclubs die geld inzetten op de nationale topspelers Eenhoorn en Faneyte. De Major League is een jeugddroom voor alle honkballers, hoe weinig speeltijd zij uiteindelijk ook krijgen in de Amerikaanse profcompetitie. Wanneer ze eenmaal de profstatus hebben verworven, zijn ze niet meer speelgerechtigd voor Oranje. Maar de financiële voordelen wegen voor de oud-amateurs zwaarder dan het laatste restje chauvinisme.

Voor Jan Dick Leurs is de uittocht van het grootste talent een lelijke tegenvaller. De bondscoach van het Nederlands team bereidt zijn spelers voor op het aanstaande wereldkampioenschap in Nicaragua. Leurs noemt zichzelf “geen klagerig type”, maar “echt ideaal is de voorbereiding niet”. Slechts vijf trainingen gaan vooraf aan de Haarlemse Honkbalweek. “Als je de jongens veertien dagen bij elkaar hebt, zie je ze groeien. Nu blijft het behelpen.” Leurs noemt de diverse Europa-Cuptoernooien een extra zware belasting voor de internationals, “van wie overdag gewoon de helft naar kantoor moet”. Dat de honkballers deze week ook internationale ervaring opdoen, interesseert hem ogenschijnlijk minder. “Wij spelen heel anders dan de clubteams.”

De succestrainer heeft zijn hoop gevestigd op het NOC*NSF, dat een financiële bijdrage levert aan de ploeg die vrijwel zeker is van afvaardiging naar Atlanta. “Met dat geld kunnen we gaan spioneren in Italië.” Bij de Olympische Spelen van 1996 mogen voor het eerst twee Europese landen deelnemen, zo is vorige week besloten door de internationale honkbalbond. “Ik baal daar een beetje van. Het EK had een climax moeten worden volgend jaar. De winnaar zou naar Atlanta gaan. Nu heb je alleen maar iets te verliezen”, verklaarde Leurs gisteravond.