Het maatschappelijk nut van deeltjesversnellers

Het fundamentele onderzoek binnen de beslotenheid van het laboratorium heeft zijn vanzelfsprekendheid verloren. Maatschappelijk rendement is het sleutelwoord. De bureaucratische arm reikt al tot in de meetkamer.

Op 20 juni belegt het Kernfysisch Versneller Instituut van de Universiteit van Groningen ter gelegenheid van het eredoctoraat van de Japanse fysicus Akito Arima een symposium getiteld 'The role of fundamental physics in a changing world'. Inlichtingen: 050633621.

Met het aborteren van de Superconducting Super Collider, de Amerikaanse deeltjesversneller van twintig miljard die opheldering ging verschaffen over de meest elementaire bouwstenen van de kosmos, is onder fysici de discussie opgelaaid in hoeverre het de overheid is toegestaan zich met fundamenteel onderzoek te bemoeien. Moeten de universitaire onderzoekers langs zelfgekozen kronkelpaden hun nieuwsgierigheid kunnen botvieren, in de verwachting dat 'serendipiteit' altijd wel voor rechtvaardiging achteraf zal zorgen, of moeten juist van bovenaf 'strategische lijnen' worden uitgestippeld waarlangs de researcher, afhankelijk van overheidsgeld als hij is, zich heeft te bewegen?

De vraag wordt des te nijpender nu onder invloed van de economische recessie en het einde van de Koude Oorlog een radicaal einde lijkt gekomen aan de tijd dat binnen de fundamentele wetenschap de bomen tot aan de hemel groeiden. De budgetten nemen in snel tempo af en om het vege lijf te redden zien onderzoekers zich in toenemende mate gedwongen na te denken over het korte termijn-belang van hun fundamentele research, over kosten versus maatschappelijke baten, over toepassingsmogelijkheden van nieuwe technieken en instrumenten, over pay-off time.

Dr.ir. Harry Beckers, sinds 1993 voorzitter van de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid, heeft in zijn loopbaan bij Shell met alle aspecten van fundamenteel onderzoek te maken gehad. Als gepromoveerd technisch natuurkundige van de TU Delft, op een onderzoek naar warmteoverdracht, begon hij na zijn militaire dienst op het laboratorium in Amsterdam als chemical engineer. Na een theoretisch uitstapje naar het exploratie- en produktielaboratorium in Rijswijk kreeg hij, opnieuw in Amsterdam, de leiding over de fundamentele fysica en wiskunde, om na zestien jaar van research over te stappen naar de afdeling strategic planning in Londen. Daar stond hij aan de wieg van het invoeren bij Shell van 'scenario-planning'. Ten slotte werd Beckers voor een periode van veertien jaar Shell's hoogste research coördinator en - al pendelend - ook nog hoofd van de nucleaire divisie in San Diego.

Zijn supercolliders nodig?

Ik zou zeggen van wel, als ze er tenminste aanleiding toe geven dat onderzoekers in het kader van hun opleiding er leuk een paar jaar werken. Maar het moet niet ontaarden in een zwart gat van mensen die daar hun leven lang doorbrengen en verder niets anders doen. De deeltjesversneller van Cern in Genève is bijna zo complex als een raffinaderij - de mensen schrikken weleens als ik dat zeg. Die versneller is niet alleen uitstekend geschikt om hoge energie-fysici mee op te leiden, maar ook supertechnische ingenieurs die moeten leren hoe je technisch iets voor elkaar krijgt. Maar wat zie je bij Cern? De afdeling engineering heeft er een vaste staf die zo'n beetje niks uit handen wil geven.

Waarom fundamentele research?

Een regering sponsort fundamentele research in de eerste plaats om goede onderzoekers op te leiden, mensen die aan de frontiers of science hebben gestaan. Als je als overheid dat nalaat, krijg je een soort onderwijzers met kennis van vele jaren geleden. De industrie staat niet te wachten op meer van hetzelfde, die wil mensen met goede ideeën. Daarvoor moeten researchers één berg hebben beklommen, meer is niet nodig, en dan doet het er niet eens zoveel toe welke berg.

Vindt zuiver onderzoek niet voor een deel rechtvaardiging in zichzelf?

Als je dezelfde vrijheid krijgt als Einstein en je produceert ook hetzelfde, dan heb ik daar geen bezwaar tegen. Maar zo iemand heb je eens in de driehonderd jaar. L'art pour l'art is prachtig, maar ga dan net als de violist collecteren. Wie geeft er nou zomaar geld uit? Natuurlijk is er een drang in de mens om meer te willen weten van astronomie, maar dat geldt voor zoveel meer dingen. Fundamentele research doe je om opgeleid te worden voor iets dat daarna komt, niet omdat het leuk en aardig is ergens wat van te weten.

Laat universitair onderzoek zich sturen?

Ik begrijp dat wel, van dat bureaucratische monster dat je overvallen kan. Maar als je massa's studenten opleidt, wordt het toch wel verrekte belangrijk in de gaten te houden wat er later met die mensen gebeurt. Als ik als regering het fundamentele onderzoek sponsor, wil ik ook iets te zeggen hebben over de verdeling van het geld over de vakgebieden. Hoeveel schakers er moeten komen en hoeveel dammers, ook al is het moeilijk daar goed inzicht in te krijgen en heb je een grijs middengebied. Als je echt heel diep in de kernfysica bent opgeleid, alleen maar aan de universiteit, en je moet je daarna in de industrie gaan bezighouden met warmtegeleiding, dan staan je handen wel links.

Maar de overheid moet zich niet met de regels van het spel bemoeien, met wie het best is en wie naar welk toernooi mag. Die angst voor een alom aanwezige bureaucratie, die angst dat de mensen die aan de portemonnee zitten steeds dieper graven en hun handen naar de laboratoriumkamers uitsteken, kan ik me goed voorstellen. Maar als je onderzoeksscholen creeert, en je laat professioneel management toe, dan gaat dat management wel opletten. Ik vind dat toch een voordeel.

Welke rol ziet u voor NWO?

NWO is er door en voor de wetenschappers, zeg ik altijd. Het zijn toch wetenschappers die die daar de keuzes maken. Op het ogenblik hebben ze vierhonderd miljoen. Dat bedrag moet hoger, bijvoorbeeld door geld van de eerste geldstroom over te hevelen naar de tweede. Er moet een landelijke profilering komen van onderzoeksgebieden die het goed doen. Dat is iets voor NWO, dat kun je niet aan de universiteiten overlaten. Nu zijn er altijd wetenschappers die ook in NWO een stel bureaucraten zien. Als de schakers nu zelf een commissie instellen die beslist wie naar welk toernooi mag, en je noemt dat bureaucratie, dan ben ik weg. Te vaak maak ik mee dat mensen zeggen: je mag blij zijn dat ik mijn tijd eraan spendeer, zorg maar dat het geld er is. Iemand die dat geld geeft mag toch vragen waar het aan besteed wordt?

En de derde geldstroom?

Contractresearch door de universiteit is leuk en mooi meegenomen, maar het moet vooral niet teveel worden. Twintig, dertig procent, meer niet. Anders gaat de eerste doelstelling, het opleiden van goede mensen, naar de knoppen. Als het researchlaboratorium van Philips met input komt die de universitaire onderzoeker goed kan gebruiken, zeg ik: prachtig, voor mijn part kopen ze de hele universiteit op, dan blijft het nog goed. Maar als betonvlechters uit het midden- en kleinbedrijf een stollingstraject doorgemeten willen zien, is dat knap saai. En je moet er altijd voor oppassen dat het bedrijfsleven een bepaalde onderzoekslijn niet afblaast. Ik spreek liever van contactresearch, het bedrijfsleven onderhoudt in de eerste plaats relaties met de universiteit om de goede mensen eruit te pikken.

Doet het bedrijfsleven nog genoeg aan Research & Development?

Vroeger heerste in de researchlaboratoria van de grote bedrijven een academische sfeer. Er was tijd voor eigen onderzoek en er werd onder eigen naam gepubliceerd. Tot in de jaren zestig heeft deze cultuur stand gehouden en het gaf niet want het terrein was onontgonnen en er viel veel te ontdekken. Daarna begon het management zich zorgen te maken over de kosten die dat alles met zich meebracht, over de effectiviteit van hun R&D. Met als resultaat dat nu niet meer R&D de hoogste prioriteit heeft, maar het management van de technology assets. Veel technologie valt buiten de deur te halen en per slot van rekening gaat het er voor een bedrijf in de eerste plaats om de concurrentie met technologische wapens, hoe dan ook verkregen, af te bluffen. Binnen dit nieuwe raamwerk opereert een R&D-divisie in een customer-contractor relatie, met debusiness unit als de customer en het R&D-laboratorium als contractor.

Binnen die R&D is in de huidige praktijk ruimte voor tien procent fundamenteel onderzoek, een kwart is exploratief onderzoek en de rest toegepast onderzoek. Wat dat betreft is er een aardige parallel waarneembaar met de ontwikkeling van de drie geldstromen in de academische wereld. Feit is dat de laatste tien twintig jaar de bedrijfslaboratoria zijn weggegroeid van de vertrouwde universitaire atmosfeer. Het is ook een slingerbeweging. In de tijd van Casimir mocht het onderzoek uitvleugelen, was er ruimte voor diversificatie en stand out. Dat was de techneutentijd. Daarna ging het economisch allemaal minder en kwamen er finance men om alles weg te snijden. Terug naar core business. Maar ook dat werkt niet altijd. Het aardige is nu dat de slingers in de verschillende continenten niet synchroon lopen.

Leiden we de juiste aantallen onderzoekers op?

Dat is de hamvraag. Die kun je niet centraal oplossen, dat gaat gewoon niet. De globale competitie en de economische malaise gelden voor iedereen. De bedrijfspoorten gaan een beetje dicht, universitair opgeleiden kosten een hoop geld en kan het paardje het dan allemaal trekken? Voor een bètabetrekking voor twee jaar hier op het AWT-bureau kregen we meer dan vijfhonderd sollicitanten. Dan krijg ik wel vlindertjes in mijn buik. Moeten we daar extra geld insteken? Wacht eens even, zeg ik dan, er zijn honderduizenden andere mensen werkloos. Geen uitzonderingsposities, vind ik.