Geld maakt niet gelukkig

Voor wie heel arm is, maakt geld gelukkig. Maar vanaf een bepaald inkomen maakt meer geld niet méér gelukkig. De welvaartstijging heeft Nederland er na de jaren vijftig weinig gelukkiger gemaakt.

De studie 'Happiness in Nations' is opvraagbaar op Internet .ftp.eur.nl pub/database.happiness.

Nederland hoort tot de gelukkigste landen ter wereld, maar naarmate we rijker worden, worden we er niet gelukkiger op. Dat blijkt uit het onderzoek van de Rotterdamse socioloog dr. Ruut Veenhoven, specialist op het terrein van het menselijk geluk. Aanvankelijk leidt een toename van de materiële welvaart ook tot meer geluk, zo blijkt uit zijn wereldomvattende computermodellen. Maar bij Mexico houdt dat op. Deze stelling intrigeerde een andere Rotterdamse wetenschapper, de hoogleraar economie Van Duijn, die op zijn beurt aan het rekenen sloeg. Volgens Van Duijn zitten de Mexicanen per hoofd van de bevolking op 38 procent van het huidige Nederlandse inkomen. De vraag is dus, wanneer de Nederlanders, gecorrigeerd voor inflatie, net zo welvarend waren als de Mexicanen nu. Terugredenerend in de tijd komt Van Duijn na veel cijferen en plussen tot de conclusie dat in 1953 moet zijn geweest. In dat jaar was Nederland even rijk als Mexico nu. Sinds 1953 zijn we er dus niet gelukkiger meer op geworden, zegt Van Duijn. De TV-serie 'Toen was geluk heel gewoon' speelt niet voor niets in de jaren vijftig.

Stoïcijnen

Wat maakt een mens gelukkig? Al bij de Oude Grieken leefde het idee, dat geluk iets betrekkelijks is, een kwestie van vergelijken. Dus, zeiden de Stoïcijnen, hoef je het geluk niet na te jagen door een betere wereld na te streven. Je kunt hooguit gelukkig worden door je aspiraties te verminderen.

Door de eeuwen heen heeft het idee dat geluk een intellectuele 'denkconstructie' is wetenschappers aangesproken. Want als geluk alleen maar een 'idee' is, maakt het niet meer zoveel uit of mensen al dan niet gelukkig zijn. 'Maar die theorie is onjuist,' stelt socioloog Ruut Veenhoven in zijn volgestouwde werkkamer bij de Erasmus Universiteit. 'Het ingewikkelde is, dat voor sommige vormen van tevredenheid de vergelijkingstheorie wel opgaat. Als ik jou vraag of je tevreden bent met je inkomen, vergelijk je inkomen met vroeger, en met dat van collega's en buren. Daaruit leid je tevredenheid af. Mensen worden doorgaans niet tevredener met hun inkomen naarmate ze meer gaan verdienen. Uit oogpunt van inkomenstevredenheid hoef je dan ook geen welvaartspolitiek te voeren!', aldus Veenhoven.

Inkomen leent zich redelijk om te vergelijken. Sterker nog, je kunt de tevredenheid met je inkomen met geen andere methode afleiden. Maar dat geldt niet voor je tevredenheid met het leven in het algemeen. Want waar draait dat om? Om je inkomen, je huwelijk, je huis, je gezondheid? Daar zijn geen eenduidige maatstaven voor, stelt Veenhoven.

'Daarom gaan mensen vooral op hun gevoel af. Je hoort mensen soms zeggen dat ze niets te klagen hebben, maar zich toch diep beroerd voelen. Voel je goed, dan leid je daaruit af dat je kennelijk ook wel tevreden bent met je relatie of je baan: een top-down benadering. Eerst stel je vast dat je tevreden bent, op grond daarvan beoordeel je aspecten van het bestaan, en niet andersom, zoals vaak gedacht. Dit inzicht dringt nu langzaam door. Ik heb daar zelf veel over gepubliceerd', zegt Veenhoven.

Het verschijnsel geluk intrigeert hem al sinds zijn studietijd. Hij schreef er een scriptie over en promoveerde in 1984 op het onderwerp. 'Het is een oud ideaal', zegt hij, 'dat je, net zoals je de wetten van de natuurkunde gebruikt om een optimaal produkt te maken, door de wetten van het sociale leven te onderzoeken een optimale samenleving zou kunnen maken waarin de mensen gelukkig zijn'.

Deze gedachte leefde al bij de Utopisten en vaak viel het vies tegen. Veel blauwdrukken mislukten. Dat maakt de vraag welke factoren een samenleving prettig leefbaar maken niet minder interessant. Inmiddels houden psychologen zich bezig met het begrip 'positieve psychische gezondheid', terwijl economen, die aan de zegeningen van de economische groei zijn gaan twijfelen, broeden op het verschil tussen welvaart en welzijn.

Wat is geluk? Daarover zijn de meningen verdeeld. Men onderscheidt een objectieve en een subjectieve stroming. De eerste stroming denkt het antwoord op de vraag wat geluk is al te weten, en geeft een geluksrecept. Veel kennis bijvoorbeeld, of maatschappelijk geëngageerd zijn. Bij de confessionelen hoort de band met God erbij, voor de socialisten is geluk een kwestie van gelijkheid. Zo heeft iedere ideologische stroming zijn eigen geluksdefinitie.

Maar dat helpt niet veel bij de vraag welke kant de maatschappij op moet, want in zulke geluksdefinities ligt al een antwoord besloten. 'Men heeft een bepaald waarde-idee zoals Godsvrucht, welvaart of gelijkheid,' zegt Veenhoven. 'Als de maatschappij daaraan voldoet, zouden de mensen automatisch gelukkig zijn. Dat staat in het boekje, dat hoef je dus niet meer na te vragen. Typisch het Russische recept. Er was socialisme, en dus waren de mensen gelukkig, en dus hoefde je geen geluksenquêtes meer te doen, want die zouden alleen maar vervelende gegevens opleveren.'

Om te onderzoeken welke maatschappijvormen leefbaar zijn, is juist een geluksdefinitie nodig die ideologisch neutraal is. Daarom hanteert Veenhoven als definitie liever het subjectief geluk, dat is de mate waarin mensen zelf voldoening zeggen te scheppen in hun leven als geheel.

Levenskwaliteit

Vragen naar geluk, levenstevredenheid en stemmingsniveau komen aan bod in het doorlopend Levens Situatie Survey van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Dit past in de bredere traditie van wat wel Social Indicators Research wordt genoemd, het onderzoek om naast de gebruikelijke economische indicatoren ook de tevredenheid en de maagzweren bij de bevolking in beeld te brengen. Dit gebeurt ondermeer elk jaar in opdracht van de EG.

Hoewel een mens in staat is om zijn eigen geluksgevoel op een zevenpuntsschaal te beoordelen, is de indeling in deze massaonderzoeken meestal vrij grof: bent u erg gelukkig, een beetje gelukkig, of ongelukkig?

Die vraag is inmiddels door onderzoekers wereldwijd in alle toonaarden gesteld. Het grappige is, dat 99,9 procent van de ondervraagden er een expliciet antwoord op geeft, net zoals mensen een uitgesproken oordeel hebben over hun baan of over hun huwelijk. Stel je de vraag vaker, dan blijkt het antwoord behoorlijk stabiel te zijn. Eens gelukkig, altijd gelukkig is misschien wat overdreven, maar vandaag gelukkig, morgen ook gelukkig gaat wel op.

Mensen hebben een redelijk zelfstandig oordeel over hun levensgeluk en geven ook vrij eerlijk antwoord, mits op de juiste manier ondervraagd. Als je echtgenoot er naast zit, geef je niet grif toe dat je leven een fiasco is. Maar als de vraag goed wordt ingeleid, de anonimiteit gewaarborgd is en er ruimte wordt gelaten om toe te geven dat je ongelukkig bent, treedt weinig sociale vertekening op. Wèl geldt, dat ongelukkige mensen zichzelf in eerste instantie niet willen bekennen dat ze ongelukkig zijn. Pas als je dieper in hun ziel gaat graven, komt dat naar boven. Er treedt, anders gezegd, een lichte mate van egodefensieve vertekening op. Dit zelfbedrog is echter eerder uitzondering dan regel, zo blijkt uit vergelijking van de gewone enquêtes met de resultaten van diepteinterviews en projectieve testen. 'Wellicht zijn alle geluksantwoorden en halve punt te hoog', oppert Veenhoven opgewekt. Echt wakker ligt hij daar niet van.

Het goede leven

Hoe oordelen mensen over hun leven? Daartoe bewandelen ze twee wegen. Enerzijds vormen ze zich een idee van wat het goede leven is en in hoeverre hun eigen leven daaraan voldoet (de cognitieve benadering). Dat leidt tot een tevredenheidsoordeel. In de tweede plaats gaan ze na, hoe lekker ze zich voelen (de hedonische ervaring). Aan tevredenheid liggen aspiraties en maatschappelijke ideeën over wat wenselijk is ten grondslag, terwijl de hedonische ervaring - dat wil zeggen, of je al of niet lekker voelt - steunt op bevrediging van wezenlijke behoeften. Veenhoven: 'In principe is de mens door de natuur zo geprogrammeerd, dat hij de dingen die hij nodig heeft ook lekker vindt - dan gebeuren ze tenminste - en de dingen die slecht voor hem zijn juist naar.'

Vraag je mensen nu of ze gelukkig zijn, dan combineren ze hun tevredenheidsoordeel met hun gevoel. De meeste mensen, zo heeft Veenhoven ontdekt, baseren hun oordeel heel sterk op hoe ze zich voelen. 'Maar sommigen - en vooral diegenen die aan sterk wisselende stemmingen onderhevig zijn - vellen hun geluksoordeel vooral door vergelijking met hun omgeving. Ook antwoorden mensen wat optimistischer als de zon schijnt, of als de ondervrager een houten been heeft, dan valt hun eigen leven ineens weer mee. Maar uiteindelijk is het effect van die toevallige stoornissen marginaal, ze vallen tegen elkaar weg in het gemiddelde. Je kunt geluk niet op de millimeter vaststellen, maar de metingen zijn redelijk valide' oordeelt de socioloog.

Al met al valt het menselijk geluk in de vorm van subjectieve levensvoldoening - de 'sum of pleasures and pains' van de Utilitariërs - redelijk af te bakenen en goed te meten. 'De ideale samenleving bestaat niet. We gaan allemaal dood en elke sociale organisatie maakt slachtoffers' aldus Veenhoven. 'Toch kun je de vraag stellen in welke samenleving de mensen het gelukkigst en het gezondst zijn. Voor de politiek is het interessant om te weten hoe de ideologieën in de praktijk uitpakken.'

Het antwoord geeft hij in zijn recent verschenen boek 'Happiness in nations'. In 365 pagina's wordt de subjectieve levenswaardering in 56 landen in de periode van 1946 tot 1992 beschreven. De gegevens zijn opgeslagen in een internationale databank, die wordt beheerd bij de Erasmus Universiteit en waar onderzoekers over de hele wereld vrij gebruik van kunnen maken. Het boek is ook in elektronische versie verkrijgbaar en toegankelijk via Internet. Dat is gratis voor de gebruikers en bovendien verreweg de goedkoopste oplossing voor de universiteit. De informatie wordt voortdurend bijgewerkt.

'Ik heb van veel landen nog geen gegevens en de tijdreeksen zijn nog te kort. Maar het is toch een begin van een nieuwe leefbaarheidsstatistiek', vindt de onderzoeker. 'Net zoals men in de vorige eeuw begon met zelfmoordstatistieken bij te houden om landen te vergelijken, zo doe ik dat met de factor geluk. Zelfmoord blijkt niet zo'n goede indicator voor de leefbaarheid van een land, want in heel leefbare landen blijken mensen zich gemakkelijker van kant te maken dan in minder leefbare samenlevingen. Gemiddeld geluk is een betere maatstaf.'

Veenhovens conclusie luidt zonneklaar, dat bewoners van welvarende, moderne landen veel gelukkiger zijn dan anderen. Niet alleen vanwege de welvaart, maar ook vanwege politieke vrijheid en sociale gelijkheid, ook tussen man en vrouw. Daarnaast is scholingsgraad van belang, omdat die bijdraagt aan een klimaat van verdraagzaamheid. Volgens Veenhoven zijn bewoners van individualistisch ingestelde landen als Nederland, Zweden en de VS gelukkiger dan in een wat meer collectivistisch land als Italië en vooral ook Japan.

Zou een Japanse socioloog tot diezelfde conclusie komen? 'Jazeker', zegt Veenhoven. 'Japan is ècht een zeer ongelukkig land. Dat blijkt uit de daar gehouden geluksenquêtes en Japanse collega's vragen zich nu ook af hoe dat komt. Aanvankelijk hebben ze het in meetfouten gezocht. Maar het is een behoorlijk plettende maatschappij. Er wòrdt voor je gekozen. Daardoor raakt de Japanner sneller verzeild in situaties die niet goed bij hem passen, ook al is de eigen smaak wat minder sterk ontwikkeld dan in het Westen.'

Op dit moment ligt volgens Veenhoven de Westerse samenleving qua materieel comfort, zekerheid en gelijkheid aan kop. 'Aan de behoefte aan zelfrespect wordt aardig voldaan, en je kunt genoeg kennis opdoen om het leven spannender te houden dan in de Middeleeuwen of in de binnenlanden van Afrika. Beter kan het bijna niet. Er is bestaanszekerheid, je wordt niet beroofd of vermoord. Alleen je fiets wordt gejat en daar valt aardig mee te leven.'

Dat brengt ons terug bij de stelling, dat meer geld op een gegeven moment niet gelukkiger meer maakt. Sinds wanneer leven wij Nederlanders in dit stukje 'bijna-paradijs-op-aarde'? 'De grens ligt bij het inkomensniveau van Mexico', herhaalt Veenhoven. 'Daarna kun je natuurlijk nog op andere punten winnen. Extra vakantie of een spannender cultuur.'

Hemzelf lijkt meer geld best aardig, zoals hij zich ook allerlei leuke sporten en buitenhuizen kan voorstellen. 'Maar als ik bedenk waar ik nou ècht lol in heb, dan zijn dat m'n werk, m'n tuin en m'n kinderen. In onze egalitaire maatschappij maakt meer geld niet zoveel meer uit en een terugval in inkomen evenmin een ramp. Het is niet leuk, maar het betekent doorgaans niet dat je uit je stand valt.'

Maar uit Veenhovens onderzoek blijkt dat vanaf een bepaald inkomen meer geld niet meer geluk brengt. Veenhoven: 'Dat blijkt niet alleen als je het gemiddeld geluk tussen landen onderling vergelijkt, maar ook als je binnen die landen kijkt. Hoe hoger de welvaart in het land, des te kleiner het verschil in geluk tussen rijke en arme burgers. Ze zijn dan vrijwel allemaal redelijk gelukkig. Ook individueel word je dan dus niet veel gelukkiger door meer geld.'

Beetje meer

Maar is het Westerse inkomensniveau haalbaar voor de rest van de wereld, gezien het enorme beslag dat de rijke landen leggen op de wereldvoorraden aan energie en andere natuurlijke hulpbronnen? 'Mijn model suggereert dat we, als we dat niet zouden doen, niet veel minder gelukkig zouden zijn', riposteert Veenhoven.'

Volgens het onderzoek groeien alle onderzochte Westerse landen nog een beetje in geluk. De Fransen, Italianen en Spanjaarden komen wat dichter in de richting van Nederland en Nederland zelf is, in punten achter de komma, nog wat gelukkiger geworden. Het rijkste land, de VS, is ook het gelukkigst, zegt Veenhoven.

Maar klopt dat nou, gezien het grote aantal Amerikanen dat leeft van blikjes kattevoer? En gezien de sociale ellende in de binnensteden, het geweld, de verpaupering, de tienerzwangerschappen, de zwarte alleenstaande moeders? 'De mens is gemaakt om met enige problemen te leven zodat hij zich ook zonder sociale voorzieningen in de steppe nog redelijk lekker weet te voelen', betoogt Veenhoven. 'Mensen beleven juist kicks aan onveiligheid! De ideale samenleving, waarin alles perfect geregeld is, is dodelijk vervelend. De meest leefbare samenleving is niet die van de dominee, er moet enige onvoorspelbaarheid in zitten.'

'Feit is wel dat vooral de Amerikaanse zwarten ongelukkig zijn', vervolgt hij. 'Als dat was opgelost zou Amerika een puntje winnen.' Zoals het er nu voorstaat is het 'gelukspeil' in de VS al decennia lang stabiel, ook al is de gemiddelde welvaart nog enorm toegenomen.

Economische groei

Oorspronkelijk werd het onderzoek niet opgezet vanuit een bepaalde vooronderstelling. De vraag of economische groei gelukkiger maakt of niet, lag helemaal open. Veenhoven zegt ook best open te hebben gestaan voor het idee dat geluk louter een kwestie van vergelijking zou zijn - al zou het resultaat dan niet zo relevant meer zijn geweest.

Je kunt je afvragen of geluk een bepaalde karaktertrek is - iemand zou als geluksvogel dan wel als pechvogel geboren kunnen worden. Of misschien is geluk een nationale karaktertrek. Dat zou kunnen verklaren waarom de Fransen zo ongelukkig zijn. Misschien zijn ze gewoon van nature chagrijnig, of misschien lag het aan de treurnis rond de Franse revolutie dat ze zo cynisch zijn geworden. En dat terwijl God zelf zo graag in Frankrijk leeft.

Om deze veronderstellingen wetenschappelijk te toetsen zijn eigenschappen als welvaart en vrijheid voor alle 56 onderzochte landen in een grafiek uitgezet. Verrassend genoeg blijkt dan dat de Fransen in feite nog 'boven hun stand' gelukkig zijn, net als de Ieren. Optimistische volkeren dus. Omgekeerd zeggen de mensen in India juist ongelukkiger te zijn dan de omstandigheden rechtvaardigen. Een verklaring hiervoor laat nog op zich wachten.

In de Oostbloklanden, zegt Veenhoven, is men vrij ongelukkig. 'Als wij een acht scoren hebben zij een vijf. De materiële omstandigheden zijn natuurlijk beroerd, de onzekerheid is groot en men heeft nogal een cultuurshock ondergaan. Je ziet nu in voormalig Oost-Duitsland het geluksgevoel met een tiende procentje per jaar richting West-Duitsland kruipen. Overigens ligt (West-)Duitsland nog altijd een vol punt op Nederland achter, wegens oorlogstrauma's wellicht.'

Op dit moment zijn maar vier factoren ingevoerd in het model. Over een fenomeen als tienerzwangerschappen zijn niet genoeg cijfers beschikbaar, en ook de factor religie ontbreekt. Zou dat voor een intens religieus land als India geen flink verschil uitmaken? 'Ach,' zegt Veenhoven, 'de kwaal kan zo erg zijn dat het middel niet helpt. Religie kan troosten, maar het blijft natuurlijk een doekje voor het bloeden.'

'In het Westen vond je zo'n 40 tot 50 jaar geleden nog wel dat gelovigen iets gelukkiger waren. Dat verschil zakt nu weg, en de hoofdstroom is tegenwoordig ongelovig. Het is trouwens ook denkbaar, dat religie ongelukkige mensen aantrekt en vervolgens effectief troost biedt, zodat je ze niet meer van de middenmoot kunt onderscheiden.'

Wat te denken van de grote wereldreligies? Zijn de moslims gelukkiger of dan bijvoorbeeld de christenen of is het juist andersom? 'De moslims zijn natùùrlijk ongelukkiger', zegt Veenhoven stellig. 'Maar dat komt vooral doordat ze in minder vrije, minder welvarende, minder stabiele landen leven. De factor moslimgeloof kun je niet isoleren, er is geen enkele Westerse verzorgingsstaat waar de bevolking islamiet is. Je hebt steeds een heel pakket van verstrengelde factoren.'

'In elk geval', vervolgt hij, 'is geluk geen stukje volkskarakter. Het is wel degelijk iets dat gevoelig is voor een goede sociale politiek. Het geluk van migranten ligt ook duidelijk dichter bij de gemiddelde score in het woonland dan in het moederland.'

Theoretisch kun je een maatschappij voorstellen waarin, zeg, 70 procent van de bewoners een tien scoort voor geluk, ten koste van een groep slaven die niet hoger scoort dan een twee. Zo'n toestand zou, heel misleidend, nog een aardige nationale geluksscore opleveren. Daarom is ook naar de spreiding in geluk gekeken. Een land als Mexico blijkt een forse spreiding in geluk te vertonen. In Nederland is die spreiding maar half zo groot en ook de VS doen het niet gek. Een hoge spreiding, veelal in arme landen, gaat meestal gepaard met een grote ongelijkheid in levensverwachting.

Blijft over de vraag of Veenhoven toch niet te sterk met een Westerse bril op over andere culturen oordeelt. 'Die vraag heb ik mezelf ook wel gesteld. Misschien is het verlangen om zelf gelukkig te zijn deel van ons Westerse ethos. Niettemin blijken ook bewoners van andere landen de vraag of ze gelukkig zijn prompt te beantwoorden, ze kennen het begrip wel degelijk. Bovendien vraag ik ze niet of ze welvarend en vrij zijn en een lat-relatie hebben. Ik vraag gewoon wat ze zelf van hun leven vinden.'

'Het had mij niks verbaasd als zo'n primitieve Afrikaanse dorpsgemeenschap, weinig materialistisch ingesteld, met sterke riten en een hechte familieband als de allergelukkigste samenleving uit de bus was gekomen, terwijl ons eigen jachtige model een aberratie van de Industriële Revolutie was gebleken. Maar dat hebben we niet gevonden.'