De terreur van de buitenboordmotor

Zoetjes zeilen op het meer, niets dan het geluid van kabbelende golven tegen de romp, en een fluisterende wind in de bolle spinnaker? Helaas; de zeiler die zich nog ongemotoriseerd op het water waagt, weet zich omringd door snerpende buitenboordmotoren, jankende jets-ski's, en tuffende diesels.

Op het water vergeet ik alles. Er is geen 'wereld' meer, geen pressie. Alleen ik en ik alleen, samen met de wind en mijn boot, die zich door de luchtstroom gewillig laat duwen of trekken, in de richting die ik uit wil. En ik kan alle kanten op, geen plek is onbereikbaar. Kruisend scherp aan de wind, de zeilen zorgvuldig trimmend om de helling gering te houden, want dat houdt de vaart er in. Met halve wind, de schoten iets gevierd, scherend over de golven, of pal voor de wind. Ik kan stoppen, precies waar het moet of waar ik wil en ik kan 'deinzen': langzaam achteruit drijven. Met harde wind reef ik het grootzeil en sla ik een kleine fok aan, met zachte wind maak ik het zeil boller.

Alles kan natuurlijk misgaan. Bij een klapgijp bijvoorbeeld, een harde en ongewenste overgang van de giek, kan de boot uit het roer lopen en omslaan. Ook kunnen masten naar beneden komen, gaffels breken, zeilen scheuren. Je kan aan lagerwal raken zodat je niet meer weg komt. Een boot kan zinken.

“Het is alleen maar water”, stelde Albert Einstein ooit zijn toehoorders gerust die een miezerig regentje trotseerden om naar hem luisteren. Dat mag op dat moment een aangename relativering zijn geweest, de gemiddelde watersporter die een door felle wind opgezweept meer, met venijnige brekende golfjes voor zich ziet, zal een dergelijke 'droge' observatie beschouwen als een misplaatste grap. Het is alleen maar water, maar je kan er wel in verdrinken. Je kunt er je dure bezit in verspelen met vele rusteloze uren bij verzekeringsagenten als gevolg en je kunt een maagzweer overhouden aan alle angstige momenten. Vooral de wind, die soms van een formidabele kracht is, kan het plezier voor velen danig vergallen.xp

Acht op de tien watersporters zoeken daarom zekerheid in een tegenkracht: de verbrandingsmotor. Helaas. Want zo belangrijk als deze uitvinding op het land is voor economische voorspoed en sociaal welzijn, zo desastreus is dit helse explosiegevaarte voor rust en ontspanning op het water. Het mag de gebruiker geruststelling en gemak bieden, zijn omgeving biedt het louter stank en lawaai.

Als je hem hebt, gebruik je hem ook. Een seizoen had ik hem aan een plankje hangen op de spiegel, de vier paardenkrachten van Japanse makelij, met de benzinetank onder het achterdek. Het apparaat garandeerde doffe ellende. Hij deed het altijd, behalve wanneer je hem echt nodig had. Als het windstil was bijvoorbeeld, of om de laatste meters naar de haven door de smalle sloot niet kruisend af te hoeven leggen.

Paars heb ik me getrokken aan het startkoord, stapelgek werd ik van het hoge, snerpende geluid dat het kastje produceerde als het de bougie behaagde een vonk te laten overslaan. Het geluid hield het midden tussen een kettingzaag op volle toeren en een opgevoerde bromfiets met een afgezaagde knalpot, en dat op slechts luttele meters van je oren. Voeg daarbij een misselijk makende stank van benzine en het mag duidelijk zijn dat ik dolblij was toen ik op een dag met een afgebroken startkoord een weinig elegante duik achterover in het Sneekermeer maakte. Uitgedroogd staat het apparaat op zolder, nooit meer heb ik het nodig gehad.

Van het zeurderige gesnerp was ik nog niet af. Buitenboordmotoren zijn een plaag. De zeiler die er af en toe gebruik van maakt krijgt van mij grommend het voordeel van de twijfel, al zijn er toch altijd weer heel veel zeilers tegelijkertijd die menen de motor te moeten gebruiken. Waar zijn de tijden gebleven dat de schipper om een sleepje vroeg om een brug te passeren? De patjepeeer die breed lachend en met een walm van verstikkende uitlaatgassen vlak langs je te scheert in zijn speedboot, verwens ik naar een andere wereld. Wat is toch de lol om met zo'n brullend monster medewatergebruikers te terroriseren.xp

De laatste mode in decibellenterreur is het in kleine rubberbootjes laten rondvaren van verveeld kroost. Snel de gashendel open en dicht draaien van de mini-motoren is het leukst, liefst uren lang. Mamma maant de kinderen niet in de buurt van het eigen jacht te komen, want daar ligt pappa met de Waterkampioen in de kuip te revalideren van een werkweek autotelefoneren. Onderdeel van pappa's ontspanning is overigens dat hij later zelf een paar rondjes met de gashendel speelt. Hij wordt vaak onthaald op honend gelach.

Gereguleerd is het gebruik van de jet-ski, een drijvende scooter die wordt voortbewogen door een apparaat dat met grote kracht water uitperst. Het geluid dat daarbij vrijkomt heeft iets weg van het soort waar omwonenden van Schiphol regelmatig de klachtenlijn geluidshinder voor bellen. De jet-ski is oersaai. Je gaat heel snel vooruit om plotseling het stuur om te gooien en een bocht van negentig graden te maken. Tien van de negen 'berijders' dondert in het water. Leuk! Vervolgens gaat het weer heel snel vooruit en opnieuw negentig graden de andere kant uit. De jet-ski mag inmiddels niet meer overal varen. Hij is te gevaarlijk.

Dan is er nog de binnenboorddiesel, de geluidvriendelijkste onder de voortdrijvers. Je vindt hem onderdeks in motorjachten en grotere zeiljachten. Hij ploft een beetje, de diesel, spuit water uit de uitlaat en laat een vette walm achter, maar je hoort hem niet. Of nauwelijks. Ook aan boord niet. De machinekamers zijn goed geisoleerd. Toervaarders op motorjachten vinden het soms dan ook te stil op het meer. Het lijkt onwerkelijk om door het water te schuiven op een jacht met alle comfort, met 'woonkamers' en slaapvertrekken en douches en alleen een diep gebrom in de buik van het schip. Op motorjachten worden veel meer dan op andere vaartuigen de stemmen verheven, radio's en casettespelers aangezet, lawaai gemaakt. Misschien ook wel als gevolg van de grotere zekerheid. Het schip is sterk, de diesel krachtig.

Behalve als hij uitvalt. Dan is er, tot schrik van velen, alleen nog maar de wind, die formidabele, onuitputtelijke en (nagenoeg) altijd te benutten krachtbron.