De kunstenares

In Hongarije doet men er liever het zwijgen toe als de naam Erzsébet Báthory ter sprake komt. Alleen in de pornobioscoop worden de gruweldaden van de bloedgravin nog breed uitgemeten. De Nederlandse kunstenares Erzsébet Baerveldt is echter uit op rehabilitatie.

“Het schijnt dat ze een vriendje heeft gehad naast haar man Ferenc Nádasdy. Voor de rest gedroeg ze zich bij mijn weten netjes. Die gruwelverhalen zijn de wereld ingestuurd door romantische negentiende-eeuwse historici.” Kunstenares Erzsébet Baerveldt (1968) voelt zich bijna persoonlijk aangesproken door de aantijgingen aan het adres van Erzsébet Báthory.

De voornaamste plek van haar vrijwel lege Arnhemse atelier wordt ingenomen door een levensgrote reproduktie van een schilderij van de 'hoogadellijke' Báthory (1560-1614). De kunstenares heeft warempel iets van haar weg. Hooguit valt haar kabeltrui een beetje uit de toon.

In het Haags Historisch Museum heeft Baerveldt in het kader van het Zevende Museumproject in Den Haag een kleine expositie (t/m 23 juli) ingericht over Erzsébet Báthory, bestaande uit een anoniem portretschilderij (overgevlogen uit Boedapest), een historisch kostuum ('de eerste jurk die ik naaide') en een 'videopostscriptum'. Baerveldt beschouwt haar personificatie met deze historische figuur als middel, “zoals een schilder een penseel gebruikt”.

“Het gaat me niet om het idee van de mooie, wrede vrouw, die nu eens 37 dan weer 600 vrouwen zou hebben neergemept”, zegt Baerveldt. “De horror daarvan is maar een korte kick. Het gaat me om de combinatie van de al dan niet door haar gepleegde misdrijven en de reactie daarop van haar machtsbeluste omgeving. Haar schoonzoons voerden na de dood van haar man in 1604 een hetze tegen haar om haar bezit af te pakken en haar politiek vleugellam te maken.”

Baerveldts belangstelling voor de she devil Báthory werd op haar veertiende gewekt door een prent in een boek. “Ik dacht: hé, een vrouw met bolle wangen, net zoals ik, die toch mooi is. Dat strookte niet met haar dracula-imago.” Jaren later stuitte ze op een boek van de Duitser Michael Farin, getiteld Heroin des Grauens, dat een evenwichtiger beeld schetst van Báthory's optreden aan het hof, al is haar kritiek nu dat “de schrijver geen positie durft te kiezen”. Baerveldt besloot Báthory tot onderwerp van haar kunst te maken. Om haar in zekere zin te rehabiliteren. Immers, zo stelt Baerveldt/Báthory simpel maar doeltreffend in de video, “als iets door veel mensen gezegd wordt, hoeft het nog niet waar te zijn.”

Vorig jaar kreeg Baerveldt de formele toestemming haar voornaam te wijzigen in Erzsébet, Hongaars voor Elisabeth. “Ik had de schurft aan mijn oude naam”, zegt Baerveldt, die die naam dan ook niet wenst te noemen. “Maar dat vond de rechter natuurlijk niet genoeg.” Haar artistieke ambitie en diepgaande interesse voor de Hongaarse geschiedenis werden tenslotte toch overtuigend geacht. Inmiddels is ze enkele malen naar Hongarije gereisd, volgt ze lessen Hongaars ('vreselijk moeilijk') en verzamelt ze oude muziek uit die streek.

“De Renaissance beschouw ik als het hoogtepunt van de kunstgeschiedenis. Daarna komt de barok. Dat heeft al iets weeks. Met de opkomst van het proletariaat is het gedaan met de kunst.” Haar werk ziet de kunstenares dan ook als een verzet tegen de consumptiemaatschappij, “al klinkt dat misschien ouderwets. Walgelijk vind ik het gemak waarmee mensen van alles aanschaffen en weer weggooien. Schoonheid ligt in het unieke. Op het unieke ben je zuinig. Daarom is er van alles wat ik maak, ook van foto's, altijd maar één exemplaar.”

Baerveldt vreest dat sommigen haar fixatie op de Hongaarse gravin uitleggen als een verkapte identiteitscrisis. “Als iemand zich zo inlaat met zo'n vrouw, tja, dan zal er wel wat mis zijn. Terwijl ik juist het gewone in haar probeer te benadrukken.” De jonge kunstenares, die zich aanvankelijk met tegenzin laat tutoyeren, wekt de indruk van adellijke komaf te (willen) zijn. “Mijn vader is bezig onze stamboom uit te zoeken”, zegt ze. “Ik vind het niet belangrijk. Tegenwoordig is het louter een kwestie van geld.”

“Ik zou me uitstekend redden in de zestiende eeuw”, zegt Baerveldt ten slotte zonder een spoor van ironie. “Ook als ik niet als adellijke aan het hof zou leven. Ik word niet vrolijk als ik hier in Arnhem uit het raam kijk. Meestal heb ik de gordijnen dicht.” Wat deze tijd volgens haar voor heeft op de Renaissance zijn cd's. Bij voorkeur met Transsylvanische muziek. Cd's met moderne muziek, laat staan popmuziek, heeft ze niet.