De bloedgravin

In Hongarije doet men er liever het zwijgen toe als de naam Erzsébet Báthory ter sprake komt. Alleen in de pornobioscoop worden de gruweldaden van de bloedgravin nog breed uitgemeten. De Nederlandse kunstenares Erzsébet Baerveldt is echter uit op rehabilitatie.

In Nyirbator, in het Oosten van Hongarije, fietst de plaatselijke bevolking met geheven hoofd midden op de weg, zo trots is men nog altijd op de Báthory's, vorsten van Transsylvanië. Hier, dicht tegen de grens met Roemenië, ligt het Báthorymuseum. Reisgids en folders stellen het geslacht Báthory (bator = dapper) voor als één grote machtige clan van moedige krijgers en nobele prinsen.

Door een bij toeval in een Boedapests antiquariaat aangeschaft boek weten wij beter, mijn vrouw en ik: A rossz hiru Báthoryak (De beruchte Báthory's) heet het. Op de omslag een schilderij van de rotte appel van de familie: Erzsébet Báthory. Over haar gaat het boek voornamelijk. Zij doet de Turkenmoordende ooms (waarvan één het nog tot koning van Polen schopte) en de met de jezuïeten konkelende neefjes vergeten. Zij kijkt sloom maar verleidelijk uit haar ogen. Om haar nek draagt zij een elegante, kanten kraag. Het Hongaars in het boek kunnen wij zo snel niet doorgronden maar de schaarse plaatjes maken nieuwsgierig: naakte, tegenstribbelende meisjes die naar een verveeld in haar troon onderuitgezakte dame worden gesleept.

Erzsébet Báthory leefde van 1560 tot 1614. Na de dood van haar echtgenoot, graaf Ferenc Nádasdy, stortte zij zich op de zwarte magie. Zij raakte bezeten van het idee dat het, om de jeugd te behouden, noodzakelijk was regelmatig in vers maagdenbloed te baden. In korte tijd werden tenminste 300 jonge vrouwen naar haar kasteel gevoerd en vermoord. Een serial-killer avant la lettre.

In het onverwarmde Báthorymuseum zijn drie harnassen te zien, een paar schilderijen, boerenkielen en wat houten landbouwwerktuigen. De conservatrice die zich om het elektrische kacheltje in de holle gang heeft gekruld doet eerst alsof ze nooit van Erzsébet heeft gehoord, maar geeft uiteindelijk toe dat er in de kelder van het museum een schilderij van haar is. Dat krijgen we echter onder geen beding te zien. Alsof anders de duivel zelf los zou komen. Op het marktplein, bij de begraafplaats, in het café; overal houdt men zich van de domme zodra wij over Erzsébet Báthory beginnen. 380 jaar na haar dood is zij voor de Hongaarse bevolking van Nyirbator nog immer taboe.

Terug in Boedapest doen we vier belangrijke ontdekkingen: 1. Er is nog een boek aan Erzsébet Báthory gewijd, met de enthousiasmerende titel: Dracula was a woman. Niet Vlad Tepes maar Erzsébet Báthory heeft model gestaan voor graaf Dracula. Zoals wel vaker strijkt een man met de eer terwijl het een vrouw is geweest die het vuile werk heeft opgeknapt. 2. Het kasteel waar zij haar wreedheden beging, ligt niet in Oost-Hongarije of Transsylvanië maar in Cachtice, bij Nitra in Slovenië. 3. Een oudoom van mijn echtgenote was getrouwd met een Nádasdy: Erzsébet Báthory is dus - ver weg en aangetrouwd, maar toch - familie van me. Tante Erzsébet! 4. Er is een film over haar gemaakt met Paloma Picasso in de hoofdrol.

De bioscoop waar de film over de bloedgravin draait blijkt een pornobioscoop. Het stinkt er naar pis en de bekleding van de stoelen hangt op de grond. Er zitten een beetje smerige kerels, die slinks kijken wanneer wij binnenkomen. Niet echt een plek om je meisje mee naar toe te nemen. De film bestaat uit verschillende delen, waartussen niet zoveel verband te ontdekken valt, behalve dan dat de acteurs en actrices zich telkens onaangekondigd maar vaardig van hun kleren ontdoen. De derde episode van de film gaat over de bloedgravin. Te paard stropen haar huurlingen de dorpen en boerderijen af om vrouwen te verzamelen. Op haar dooie akkertje volgt de gravin die uit de bijeen gedreven vrouwen de jongsten en de mooisten kiest. Dezen worden meegenomen naar het kasteel waar zij zich op een binnenplaats moeten uitkleden en een bad moeten nemen. Tenen, knieholtes, oksels, achter de oren, alles wordt grondig geborsteld. Pas daarna worden ze bij Erzsébet gebracht. Zij ziet er mooi uit, met een perzikhuid en heel zwarte haren. Met grote ogen bekijkt ze de schone, in een betegelde ruimte ronddrentelende, vrouwen. Zij stapt tussen de naakte meisjes, streelt sommigen en geeft met een slap handje terloops aan wie opengesneden moet worden. Het bloed wordt opgevangen in een in de vloer verzonken bad.

Cachtice, drie kilometer van Nove Mesto, twintig kilometer ten zuiden van Trencin, richting Bratislava. De wegen zijn slecht, de steden liggen bleek en futloos als verveelde pubers tussen de heuvels. Brede dalen, licht glooiende vlaktes en in de verte grijsblauwe bergen. Veel bos. Cachtice is nietig en modderig. Het zou mij niet verbazen als hier de afgelopen vierhonderd jaar niets is veranderd. Er is een café waar de mannen om 11 uur 's morgens reeds laveloos zijn. Ze lopen in vodden en drinken bier uit grote pullen. Behalve een gammele bus bij de halte zijn er geen auto's. De straten zijn leeg. Er is één kruidenier die een ansichtkaart van Cachtice te koop heeft. Men is niet trots op Erzsébet Báthory, ook schaamt men zich niet voor haar, men kent haar niet.

Het kasteel kent men wel. Het ligt een eindje buiten Cachtice. Het is vervallen, maar onmiskenbaar hetzelfde dat in A rossz hiru Báthoryak is afgebeeld. Er is geen kiosk, geen kaartverkoop, geen bordje. Niks. Het ligt verlaten op de hoogvlakte, de wind blaast er omheen.

Hier werden de jonge vrouwen uit de graafschap naartoe gebracht, over deze weg, door deze poort. We klimmen over grote stenen. In de verte in het dal liggen een paar huisjes. Hoewel het een ruïne is, voel je je machtig op dit hoge punt, een heerser. Het kan niet anders of de menselijke ziel is een slaaf van de architectuur. Dat een weduwe wonend in een dergelijk slot, zo gelegen, aan het experimenteren slaat, verbaast mij niet.

Toen in 1611 een in geldnood verkerende verloofde van één van de vermoorde meisjes aangifte deed, greep de overheid in. De hulpjes van Erzsébet Báthory, twee vrouwen en een dwerg, martelde men op gepaste wijze dood. Vanwege haar adeldom - noblesse oblige - bleef de bloedgravin eenzelfde lot bespaard: levenslange opsluiting was haar deel. Drie jaar na haar veroordeling stierf zij, krankzinnig geworden, in de ondergrondse kerker van het kasteel.

Een valkje bidt boven het gras dat de binnenplaats overwoekert. Eigenlijk weten we nog steeds weinig over deze vrouw, die zowel Dracula als mijn oudtante blijkt te zijn, maar het maakt stil hier te zitten, op deze vergeten plek. In het puin is een zwart gat: de kelder, waar zij en haar slachtoffers zaten. We steken onze nek in de opening, licht valt op enkele stenen, verder is het stikdonker, niets te zien. We gooien een steentje naar beneden en wachten tot het de bodem raakt.