Celtic fields

Tot voor 2700 jaar, bij het begin van de ijzertijd verbouwden boeren hun gewassen gewoon maar een beetje tussen de restanten van het bos dat voor de landbouw plaats had moeten maken, en de moeite om veldkeien te verwijderen namen ze nauwelijks. Op potentiële landbouwgrond die te ver van open water lag, regeerde tot de ijzertijd de natuur. De akkers mochten niet te ver van de dorpen liggen, de dorpen hadden water nodig, en in putten graven had niemand zin. Op de droge delen van de Veluwe bijvoorbeeld woonde geen mens.

Op die akkers vol stronken en keien bleef veel ruimte onbenut, en je kon er ook nauwelijks ploegen. Dat hinderde betrekkelijk weinig, tot de bevolkingsdruk begon toe te nemen, en de vraag naar gerst, emmer, huttentut en boekweit steeg. Omstreeks 700 voor Chr. kreeg iemand - het kan een Deen geweest zijn, een Duitser, een Nederlander, een Brit, een Belg - een geniaal idee: 'Verwijder alle stronken en stenen, en gooi ze aan de zijkant van percelen die qua grootte handig te ploegen zijn, een meter of veertig bij veertig. Laat de percelen zoveel mogelijk aan elkaar grenzen, dan hoeven we niet zoveel wallen te maken. Raakt de grond uitgeput, ga dan niet zoals vroeger een nieuw stuk bos afbranden, maar sleep vers humusrijk materiaal aan en gooi de uitgewerkte grond op de wallen: dan worden de wallen ook breed en egaal, en hebben we meteen een wegennetwerk voor de ossewagens. Huizen zetten we verspreid in het netwerk, en liefst een beetje dicht bij het water. Is er geen open water, dan zullen we een put moeten graven.'

Dit landinrichtingsmodel verdient een plaats op de planologische top-tien aller tijden. Als een prairiebrand breidde het zich in een paar eeuwen uit over de zandgronden van heel noordwest Europa en het hield een jaar of duizend stand: tot de sociale structuren die nodig waren voor een dergelijke systematische economie werden meegesleept in de val van het westromeinse rijk. De wallen erodeerden door regen en wind, en samen met de akkers verdwenen ze onder onkruid en bos.

Een jaar of vijftienhonderd later bel ik aan bij een villa in Amersfoort. Hier woont dr. J.A. Brongers, inzake akkercomplexen uit de ijzertijd onbetwist Nederlands grootste expert. In de jaren 1967-'69 was hij ten noordwesten van Vaassen druk met het graven van sleuven door de vergeten systemen, en aan de hand van luchtfoto's bracht hij vervolgens alle resterende wallen van Drenthe in kaart. De eerste in Nederland die het verschijnsel benoemde was Johan Picardt in 1660: volgens hem ging het om heidense legerplaatsen. Geamuseerd laat Brongers een tekening uit Picards boek zien, waarop te zien is hoe honderden heidenen het zich gemakkelijk maken tussen de gestrekte zandlichamen. 'Hij dacht dat er halverwege de kruispunten doorgangen in de wallen zaten. De wallen zijn daar inderdaad lager, maar dat komt doordat de wind daar meer vat op ze had dan bij de kruisingen.'

In de 18e eeuw werd in brede kring aangenomen dat het om Romeinse legerplaatsen ging. Tot voor een paar decennia was die benaming te vinden op de kaarten van de Topografische Dienst, al had Reuvens, de eerste directeur van het Leidse Museum van Oudheden, al in de 19e eeuw gesteld dat wallen niet Romeins waren. Van vóór Karel de Grote, zoveel was hem duidelijk, maar verder kwam hij niet.

De definitieve correctie werd in 1947 aangebracht door Nederlands belangrijkste prehistoricus van dat moment, prof.dr. A.E. van Giffen. In zijn inaugurele rede stelde hij dat deze celtic fields oude akkers waren. Later is voorgesteld ze in goed Nederlands raatakkers te noemen, temeer daar ze niets met de Kelten te maken hebben, maar die naam heeft het nooit echt gemaakt.

Al die verwarring heeft te maken met het ontbreken van opgravingsgegevens. 'Er viel geen eer aan te behalen', verklaart Brongers de rust rond de velden tot hij er de spade in zette. 'Ik moest al doende leren hoe celtic fields op te graven, want het was nog nooit eerder gedaan, ook niet in het buitenland.'

We nemen de kaart van de 76 hectare celtic fields bij Vaassen erbij. Wat opvalt is dat er in het wallensysteem viersprongen en driesprongen zitten, en dat verschil blijkt van groot gewicht. 'Bij die T-kruisingen, daar gebeurt het', aldus Brongers. 'Daar botsen oude en nieuwe ontginningsstructuren. Eerst werden grote rechthoekige eenheden van wallen voorzien, en daarop volgde dan de invulling met kleinere percelen waarvan de wallen veelal T-kruisingen maakten met de primaire wallen.'

Een groot tijdsverschil is er waarschijnlijk niet geweest tussen de twee ontginningsfasen, en samen getuigen ze van een vrij hoge maatschappelijke organisatiegraad. 'Na mijn onderzoek zijn in West-Friesland akkerindelingen uit de Bronstijd opgegraven, waar de toename van de bevolkingsdruk wat eerder inzette dan in Oost-Nederland. Maar daar ontbreekt die tweefasenontginning, en de sluiten ook veel minder op elkaar aan.' Op de Veluwe ontdekte Brongers wel dat vrijwel alle celtic fields werden aangelegd op reeds gebruikt akkerland. In de bodemstructuur van de akkers bij Vaassen vonden Brongers en zijn assistenten grote littekens, en concludeerden dat daar in de pre-celtic field-fase boomstronken hadden gestaan. Verder bleek uit Brongers' berekeningen dat op de wallen veel meer materiaal lag dan van de akkers verwijderd was: het onomstotelijk bewijs voor de aanvoer van materiaal van elders, zoden waarschijnlijk. Daarmee werden de akkers bemest, en ze zorgden ook voor een betere vochtregulatie. Brongers: 'De bevolkingsdruk maakte dat men naar hogere en dus drogere gebieden moest uitwijken, in het oosten van Nederland althans. Bijna alle celtic fields zitten daar op de twintig meter hoogtelijn. Vers zand is helemaal niet onvruchtbaar, er zitten veel mineralen in, maar je hebt wel humus nodig om het vocht vast te houden.'

De vorige aflevering van deze serie ging over grafheuvels, en die stonden er bijna allemaal al toen de celtic fields gemaakt werden. Brongers heeft de ijzertijdboeren niet kunnen betrappen op gebrek aan respect voor hun oudheden. De toen 1000 tot 1500 jaar oude grafheuvels lagen vaak precies waar zij aan de slag wilden, maar echt vernield werd er niets. 'Wallen over grafheuvels heen heb ik nergens gevonden', rapporteert Brongers. 'In de akkers werd er wel overheen geploegd, maar ze werden niet met de grond gelijk gemaakt. De boeren wisten heel goed dat het graven waren.'

Wat ploegsporen in het algemeen betreft: vooral in de nattere delen van de celtic fields zijn die vaak goed bewaard gebleven. Meer water in de grond betekende minder zuurstof en dus minder verrotting van humeus materiaal, zodat kleurstoffen bewaard zijn gebleven. Precies waar het eergetouw - een houten, niet zodenkerende ploeg - ooit het diepst kwam, werd in het zand een lijn getrokken waarin humeus materiaal belandde. Schaaf juist op die diepte de grond egaal af, dan je staat oog in oog met het werk van een ijzertijdboer en zijn os.

De Nederlandse celtic fields zijn moeilijk bedreigd te noemen, vooral omdat het er zoveel zijn, duizenden hectaren bij elkaar. Dankzij Brongers zijn alleen al in Drenthe 120 celtic field-complexen bekend, elk van minimaal 50 hectare omvang. Op de Veluwe zijn er ook massa's. In bossen en heidevelden zijn ze vaak nog heel goed te zien, zeker als je weet waar je kijken moet. De wallen zelf zijn na anderhalf milennium erosie vaak niet hoger dan een halve meter, maar de regelmaat van het patroon helpt bij de identificatie. Helemaal eenvoudig zal dat worden in het Wekeromse Zand - het Geldersch Landschap heeft plannen om daar raatakkers te restaureren, en ze ook weer te bebouwen met gewassen van toen.

In tegenwoordige landbouwgrond heeft zelfs het eindeloos geploeg van latere boeren de raatakkers niet kunnen vernietigen. Brongers, vol vertrouwen: 'Het gemiddelde zandtransport heen en weer is ongeveer nul. De mensen kunnen gewoon niet een heel celtic field-complex uitwissen. Kijk naar Angelslo in Drenthe: daar is een nieuwbouwwijk op een celtic field gezet. Had je moeten zien, direct nadat het opgeleverd was: iedereen had een stuk celtic field in z'n tuin. Haha! Ze zijn er nog steeds, alleen staan er nu primula's op.'

Maar bevorderlijk voor het behoud van een celtic field is het niet om er een nieuwbouwwijk op te zetten. En Angerslo is natuurlijk niet het enige voorbeeld. Ontginningen, ruilverkavelingen, nieuwe wegen, en niet te vergeten diepploegende boeren, hebben deze eeuw grote aantallen celtic field aan het landschap onttrokken - en nieuwe komen er zeker nooit meer bij.